Terug
Gepubliceerd op 02/07/2021

2021_GR_00009 - Nieuwe 'Algemene bedrijfsbelasting 2022-2031' - Goedkeuring

Themacommissie
do 08/07/2021 - 20:00 Digitale zitting
Datum beslissing:

Samenstelling

Bevoegde schepen

Rudy Coddens
2021_GR_00009 - Nieuwe 'Algemene bedrijfsbelasting 2022-2031' - Goedkeuring 2021_GR_00009 - Nieuwe 'Algemene bedrijfsbelasting 2022-2031' - Goedkeuring

Motivering

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

  • De Grondwet, artikel 170;
  • Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 2.

Voorgestelde uitgaven

€ 0,00

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

  • Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40, § 3 en artikel 41, 9° en 14°

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

Op 18 december 2019 werd door de gemeenteraad een belasting goedgekeurd op de bedrijfsvestigingen, op de motoren en op de opslagplaatsen. Deze belasting liep van aanslagjaar 2020 tot en met (na verlenging) 2021. Intussen werd een project opgestart om een vernieuwde economische belasting te ontwerpen.

Met name de belastingen op motoren is immers sterk verouderd. De belasting bestaat sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw, en is in feite voornamelijk gericht op de industriële sector. Het economisch landschap is sindsdien sterk gewijzigd, zonder dat het reglement noemenswaardige wijzigingen onderging. Zo worden de aanwezige motoren belast ongeacht hoe zwaar zij gebruikt worden. Verder is de belasting ook bijzonder complex, in die mate dat de toepassing voor moeilijkheden zorgt bij zowel de ondernemingen als de administratie. De omzendbrief lokale fiscaliteit treedt bij dat het vermogen niet altijd meer betekenisvol is voor de financiële draagkracht.

Ook de belasting op de opslagplaatsen voor brandbare stoffen is, na opeenvolgende wijzigingen van de VLAREM-wetgeving, steeds moeilijker toepasbaar geworden zonder ingrijpende aanpassingen.

Het bestuur wenst dan ook een vernieuwde, algemene bedrijfsbelasting in te voeren die beter inspeelt op de realiteit van vandaag. Gezien de langetermijnvisie op sommige bepalingen en grenswaarden, wordt dit reglement uitzonderlijk goedgekeurd tot het einde van de volgende legislatuur, zodat aan de belastingplichtigen een duidelijk toekomstperspectief wordt geboden – dit uiteraard met dien verstande dat een belastingreglement steeds door het bestuur kan worden gewijzigd ingevolge maatschappelijke evoluties of voortschrijdend inzicht.

Waarom wordt deze beslissing genomen?

1. Inleiding

Gelet op de financiële nota van het meerjarenplan van de Stad Gent en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven, is het gerechtvaardigd een billijke financiële tussenkomst te vragen aan alle belanghebbenden op het grondgebied van de stad Gent. In die zin komt de continuïteit van de werking van de stadsdiensten en de dienstverlening - ook op lange termijn - niet in het gedrang.

Het is verantwoord van de economische actoren op het grondgebied een bijdrage te vragen aan de algemene financiering van de stad. Deze bedrijven en ondernemers genieten immers mee van de dienstverlening van de Stad, zoals aangelegde wegen, ondersteuning voor ondernemingen, straatverlichting, …

De inwoners dragen reeds op algemene wijze bij aan de stadsfinanciën via de opcentiemen op de personenbelasting. Ondernemingen kunnen niet op basis van hun inkomsten worden belast. Opcentiemen op de vennootschapsbelasting zijn, overeenkomstig artikel 464 WIB, niet toegelaten. Om een eerlijke spreiding van de belasting te bekomen, dient de financiële draagkracht van de ondernemingen te worden benaderd. Een differentiatie van de opcentiemen op de onroerende voorheffing biedt onvoldoende elementen om de doelgroep te identificeren. Daarom wordt opnieuw gekozen voor een eigen lokale belasting. Om de draagkracht van de ondernemingen te bepalen word worden twee kenmerken in rekening genomen: oppervlakte en energieverbruik. De belasting wordt gevraagd van elke onderneming zoals voorzien in het Wetboek Economisch Recht, met inbegrip van beoefenaars van vrije beroepen (voor zover niet op een andere basis uitgesloten).

Verder is het verantwoord de grondslagen van deze belasting zo te kiezen en te modelleren, dat de ondernemingen worden gestimuleerd om bij te dragen aan welbepaalde beleidsdoelstellingen van de Stad Gent. Zo wenst het bestuur de ondernemingen mits weldoordachte tariefstructuren en vrijstellingen uitdrukkelijk mee in te schakelen in het bereiken van haar klimaatdoelstellingen en de shift naar lokale hernieuwbare energie.

De belasting is verschuldigd op basis van de toestand op 1 januari, en is ondeelbaar. Dit houdt in dat een vestiging die pas start in februari pas vanaf het volgende aanslagjaar onder de toepassing van het reglement valt, en dat een vestiging die in februari sluit nog volledig in rekening wordt gebracht voor de belasting voor dat aanslagjaar. Het nadeel dat de ondernemers bij de sluiting hierdoor ondervinden, hebben zij als voordeel gehad bij de opening. Daarmee volgt deze belasting de algemene trend van de Gentse stadsbelastingen.

De belasting is verschuldigd door de exploitant van de economische activiteit. Dit volgt logisch uit het doel van de belasting. 

Voor de berekening van de belasting worden de grondslagen van alle vestigingen opgeteld. Zo wordt de totale activiteit op het Gentse grondgebied in rekening genomen. Een vestiging is elk (gedeelte van een) onroerend goed of geheel van onroerende goederen, waarop zich een activiteitenkern of centrum van werkzaamheden bevindt van een onderneming, onder gelijk welke vorm en van individuele of collectieve aard, en dat bestemd of benut wordt ten behoeve van de exploitatie van die onderneming.

Het reglement voorziet in een maximumbelasting van 6,15 miljoen euro, min of meer de som van de maximumbelastingen van de belastingen op bedrijfsvestigingen, motoren en opslagplaatsen. Er wordt voorzien om telkens na 5 jaar, wanneer ook de ondergrens van de energiecomponent wordt aangepast (zie verder), dit maximumbedrag te laten evolueren. Een eerste keer wordt dit voorzien in 2027 (naar 6,5 miljoen euro). 

Het voorziene budget is de optelsom van de drie te integreren belastingen. 


2. Oppervlakte

2.1. Belastbare oppervlakte

In eerste instantie wordt de totale oppervlakte van de Gentse vestigingen in aanmerking genomen als maatstaf voor de omvang van de activiteiten, en dus draagkracht. Dit criterium wordt reeds geruime tijd door de rechtspraak aanvaard (zie o.m. Gent 23 januari 2007, 2005/AR/2536) omdat het oppervlaktecriterium een redelijk criterium is die overeenstemt met de verdelende rechtvaardigheid en samenhangt met de financiële draagkracht en de graad van hinderlijkheid van de belastingplichtige en de mate waarin de dienstverlening aan de belastingplichtige gebeurt.

De belastbare oppervlakte bestaat uit de som van alle bebouwde en onbebouwde oppervlaktes die ter beschikking staan van de onderneming. Dit begrip is ruimer dan ‘gebruikt worden door de onderneming’: ook de oppervlaktes die voor haar gebruik zijn voorbehouden, moeten bij de belastbare oppervlakte worden meegeteld. Dit houdt de som in van alle vloeroppervlaktes van alle bouwlagen, parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen, maar eveneens de onbebouwde groenzones die immers bijdragen tot de aantrekkelijkheid van de onderneming voor klanten zowel als werknemers en de reservegronden. Delen die enkel als private woning worden gebruikt, worden niet als belastbare oppervlakte beschouwd. Percelen die onder toepassing van de belasting op onbebouwde bouwgronden of kavels vallen, en die voor de economische activiteiten worden gebruikt (stockage, parking, …) kunnen onder beide reglementen belastbaar worden gesteld. De oppervlakte wordt immers effectief voor de activiteiten van de exploitant gebruikt.

Delen meerdere ondernemers een bedrijvencomplex, waarbij er sprake is van gemeenschappelijke delen, dan worden de parkeerplaatsen en onbebouwde oppervlaktes die niet door één van hen individueel worden gebruikt of voorbehouden, pro rata verdeeld onder de aanwezig ondernemers onder volgende formule: 

Ab1 = Ai1 + Ag* (Ai1/Ai)
Ab1: totale belastbare oppervlakte van de belastingplichtige
Ai1: individueel door de belastingplichtige gebruikte of tot gebruik voorbehouden oppervlakte
Ag: te verdelen gemeenschappelijke oppervlakte
 Ai: som van de door alle aanwezige belastingplichtigen individueel gebruikte of tot gebruik voorbehouden oppervlaktes

Delen van vierkante meter worden per vestiging afgerond naar de bovenliggende vierkante meter.


2.2. Tarieven

Agrarische bedrijven (die uitsluitend land- en/of tuinbouw als activiteit hebben) zijn, wanneer de maatstaf van oppervlakte wordt bekeken, minder financieel draagkrachtig en hebben grotere oppervlaktes nodig om economisch rendabel te zijn. De (grond)oppervlakte is voor deze bedrijven een grondstof of productiemiddel, en niet alleen de plaats waar deze grondstoffen verwerkt worden of productiemiddelen geplaatst. Het is daarom verantwoord deze bedrijven aan een afzonderlijk tarief te onderwerpen, voor wat het onderdeel bedrijfsoppervlakte betreft.

Deze ondernemingen hebben immers noodzakelijk een lager rendement (en dus kleinere financiële draagkracht) per vierkante meter oppervlakte. Door dergelijke tariefstructuur, die voor deze categorie van belastingplichtigen in aangepaste tarieven voorziet in overeenstemming met hun financiële draagkracht, wordt tegemoetgekomen aan de doelstelling van een evenwichtige spreiding van de belastingdruk (zie o.m. Cass. 16 juni 2016, F.14.0218.N).

Voor de recreatieve vestigingen, die eveneens over een aanzienlijke oppervlakte dienen te beschikken, kan naar analogie met de agrarische bedrijven geredeneerd worden. Zij kunnen daarom aan een gelijkaardig tarief worden onderworpen. (zie o.m. Cass. 16 juni 2016, F.14.0218.N). Onder recreatieve vestigingen wordt begrepen de vestiging waarvan de werkzaamheden bestaan uit het exploiteren van kampeerterreinen, andere recreatieve accommodaties van toeristische aard,  sportinstallaties, dieren- en botanische tuinen, parken, markten, openluchtmusea en natuur- en wildreservaten.

Alle andere soorten ondernemingen kunnen – rekening houdende met rechtspraak die erkent dat de belastingplichtigen in vereenvoudigde categorieën kunnen worden ingedeeld – aan eenzelfde tarief worden onderworpen.

Het forfait van de ‘andere’ ondernemingen van 500-1500m² komt overeen met het eenheidstarief (voor afronding) voor 1000m². Het forfait van de ondernemingen van 1500-2500m² komt overeen met het eenheidstarief (voor afronding) voor 2000m². Het eenheidstarief voor serres is 10% van het eenheidstarief voor andere ondernemingen. Het eenheidstarief voor openluchttuinbouw is 10% van het eenheidstarief voor serres. Het eenheidstarief voor landbouw is een kwart van het eenheidstarief voor tuinbouw. Het eenheidstarief voor recreatieve ondernemingen is gelijk aan het eenheidstarief voor tuinbouw. 


3. Energieverbruik

3.1. Belastbare energie

Als tweede component wordt het totale energieverbruik van de vestigingen in aanmerking genomen. Het energieverbruik is zowel een maatstaf van de intensiteit van de bedrijfsprocessen, en bij uitbreiding de financiële draagkracht, als een maatstaf van de mate waarin de stad inspanningen moet leveren om haar klimaatdoelstellingen te bereiken. Ook de omzendbrief betreffende de gemeentefiscaliteit beveelt aan de begrippen duurzaamheid en vergroening in te calculeren in de gemeentelijke fiscaliteit.

Het energieverbruik heeft verschillende voordelen ten aanzien van de motoren als grondslag:

  • Verminderde productiviteit valt onmiddellijk af te leiden uit het energieverbruik, zonder dat stilleggingen van motoren nauwkeurig moeten worden bijgehouden
  • Ondernemingen wiens motorenpark slechts sporadisch gebruikt wordt, worden minder belast dan ondernemingen wiens motorenpark 24/7 in werking is
  • (de draagkracht van) ondernemingen die energie verbruiken zonder motoren (thermisch vermogen, computers, …) worden correcter ingeschat.

Het (aanmoedigen tot zuinig omspringen met) energieverbruik is tot slot een belangrijke component in de weg naar een klimaatneutrale stad.

Het betreft alle energieverbruik: elektriciteit, maar ook olie, gas en steenkool. Het bestuursakkoord stelt immers dat ook gas als energiebron moet worden vervangen. Bovendien zou een belasting die enkel rekening houdt met elektriciteitsverbruik, de bedrijven net terug naar deze fossiele brandstoffen kunnen jagen.

Het gaat om het energieverbruik van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar (het referentiejaar genoemd). Dat is geen verboden retroactiviteit. Het retroactiviteitsverbod heeft enkel betrekking op het belastbare feit en niet op de gebruikte berekeningsgrondslag. (Zie o.m. Cass. 20 februari 1986, Arr.Cass. 1985-86, 871). Zo mag de belasting wel berekend worden in functie van gegevens die betrekking hebben op het voorgaande aanslagjaar (M. DE JONCKHEERE, Handboek lokale en regionale belastingen. Deel 1.Lokaal, Brugge, die Keure, 2015, 62-63).

Bedoeld wordt om de energie die op de vestiging verbruikt wordt voor de bedrijfsprocessen als maatstaf te nemen. Daaruit volgen logischerwijs het buiten beschouwing laten van energiedragers die bedoeld zijn om ongewijzigd door te verkopen (bvb de verkochte brandstoffen van tankstations) en van energie voor voertuigen die de openbare weg gebruiken. Die laatsten blijven immers niet noodzakelijk op de site, zodat het doorgaans geen energie betreft die in de vestiging wordt verbruikt. Bovendien zou hierdoor een oneerlijke ongelijke behandeling kunnen ontstaan tussen bijvoorbeeld de werkgever die elektrische laadpalen aan de werknemers ter beschikking stelt vs. de werkgever die een tankkaart/laadkaart ter beschikking stelt.

Voor elektriciteit en aardgas kan afgegaan worden op de meterstanden. Door middel van een volmacht bij de eerste aangifte, kunnen deze waarden bovendien verkregen worden via de netbeheerders (EANDIS, ELIA, FLUVIUS, …). Dat vereenvoudigt de administratie voor de ondernemingen. Van meters waarachter verschillende ondernemingen gekoppeld zijn (of zowel privé-woonst als een onderneming) wordt het verbruik verdeeld volgens dezelfde verdeelsleutel als voor gemeenschappelijke oppervlakte wordt gehanteerd. Vestigingen die slechts gedeeltelijk op het Gents grondgebied gelegen zijn, worden op dezelfde manier verrekend.

Voor andere energiebronnen, wordt bij de aangifte gevraagd de hoeveelheden en leveranciers op te geven. Aan de hand van steekproeven kan bij de leveranciers opgevraagd worden of de aangegeven hoeveelheden kloppen. Bij vermoeden van fraude staat de toepasselijke wetgeving toe dat de boekhouding wordt gecontroleerd. De datum van de levering bepaalt bij welk aanslagjaar het energieverbruik van de volledige levering wordt gerekend.

Ondernemingen die onderworpen zijn aan de VER- of ETS-rapportering (Verhandelbare Emissierechten Systeem of Emissions Trading System) van de Europese Unie kunnen die rapportering gebruiken om de aangifte aan te vullen, zodat een reeds bestaande rapporteringsplicht kan worden hergebruikt. Die rapportering wordt immers jaarlijks door een onafhankelijke derde verificateur nagezien. Hetzelfde geldt voor de EBO-rapportering (Energiebeleidsovereenkomst) zoals bedoeld in het energiedecreet.

Alle belastbare energiebronnen worden op gemeenschappelijke eenheid gebracht en opgeteld. Die gemeenschappelijke eenheid is kWh (of MWh, indien dit voor de leesbaarheid aangewezen is). Daarvoor worden in het reglement voor de meest voorkomende energiebronnen in een omzettingstabel voorzien van de meest gangbare eenheid naar het aantal aan te rekenen kWh. Daarbij wordt voorzien in een omzettingsfactor, die schonere energie (wat de CO2-uitstoot betreft) bevoordeelt ten aanzien van meer vervuilende energiedragers.

Biomassa wordt niet in deze opsomming opgelijst. Los van de oorsprong van sommige biobrandstoffen, die voor discussie zorgt over het hernieuwbaar en duurzaam karakter ervan, maken de diversiteit van biobrandstoffen en de noodzaak aan transport ervan (in tegenstelling tot de opgesomde immateriële energiebronnen) dat zij niet van dezelfde aard is als de opgesomde energiebronnen en niet uniform.

Biomassa zal, zoals andere niet in de lijst voorkomende energiedragers, omgezet worden op basis van de verhouding van de CO2-uitstoot ten aanzien van een referentiewaarde van 0,192 ton CO2 per MWh. Daarvoor kan eventueel gebruik gemaakt worden van de standaard brandstofemissiefactoren voorzien in bijlage VI van de uitvoeringsverordening 2018/2066 van de Europese Unie. De omzettingsfactor kan nooit minder dan 1 bedragen. Schone energiedragers en elektrificatie worden gestimuleerd ten aanzien van meer vervuilende energiedragers, maar dragen uiteraard wel nog bij aan de bedrijfsactiviteiten en dienen dus als maatstaf van de draagkracht van de onderneming in rekening te worden gebracht (maar zie de vrijstelling voor groene energie).

Voor restenergie wordt expliciet in een voordelige omzettingsfactor voorzien. Restenergie loopt immers het risico, op zich bekeken, een zeer vervuilende energiedrager te zijn (bvb sommige restgassen). Daarbij wordt er echter aan voorbij gegaan dat het gebruik van restenergie de voorkeur geniet boven het laten vervliegen van de energie (waarbij eenzelfde hoeveelheid CO2 in de lucht komt) en daarnaast verbruiken van aanvullende (vaak fossiele) energie (netto dus meer CO2). Daarom wordt voor restenergie voorzien in een omzettingsfactor 1, zodat dit hergebruik van restenergie, dat aansluit bij de beleidsdoelstellingen, wordt aangemoedigd.

Ook voor afvalstromen wordt in een voordeliger omzettingsfactor voorzien. Ook hier moet een afweging worden gemaakt tussen de objectieve CO2-uitstoot en het gevolg van het niet-verbranden van de afvalstroom (de zogeheten ‘energetische valorisatie van hoogcalorische afvalstromen’). Hoewel alternatieven zoals hergebruik en recyclage op de eerste plaats moeten komen, kent de verbranding van afvalstromen als energiebron ook zijn plaats in de visie op afvalverwerking zodat het gepast is hier een beperkte correctie op toe te passen. Concreet wordt een ‘korting’ van 25% op de omzettingsfactor toegepast – opnieuw zonder dat die daardoor minder dan 1 kan bedragen.

Het totale energieverbruik per vestiging wordt afgerond naar de bovenliggende MWh.


3.2. Tarieven

Onder meer gezien de mindere stabiliteit van het energieverbruik (vergeleken met de oppervlakte) wordt ervoor gekozen geen tarief per kWh of per MWh toe te passen. In plaats daarvan resulteert het totale energieverbruik van het referentiejaar in een bepaalde energievork. Het is aan die energievorken dat een forfaitair tarief wordt toegekend. Dit heeft als voordeel dat gebruik gemaakt kan worden van het voorstel van aangifte: indien de totale oppervlakte van de onderneming niet is gewijzigd en het totale energieverbruik binnen dezelfde energievork valt, dient de onderneming niet te antwoorden op het door de diensten verzonden voorstel van aangifte. Enkel bij wijziging van energievork (bijvoorbeeld omdat een onderneming groeit, of maatregelen neemt om haar energieverbruik te beperken) dient de aangifte te worden aangepast en teruggestuurd.

Zoals bij de forfaitaire tarieven voorzien bij de component oppervlakte, is het tarief per energievork telkens bepaald op basis van een prijs per kWh en het gemiddelde van de vork. Het betreft grotendeel een lineair tarief. Vanaf 50.000 MWh daalt het fictieve ‘tarief per kWh’ lichtjes om te vermijden dat de maximumbelasting te snel zou worden bereikt (waardoor ondernemingen niet meer worden gestimuleerd hun energieverbruik te beperken). Bovendien gaat het hier om dermate intensieve bedrijfsprocessen dat de draagkracht niet meer lineair in verhouding staat met het toenemende energieverbruik.

Dat voor alle ondernemingen hun energieverbruik tot een bepaald forfait aanleiding geeft, is geen probleem. De belasting beoogt belastingplichtigen met verschillende toestanden en die verscheidenheid moet noodzakelijkerwijs worden opgevangen in vereenvoudigde categorieën. (zie ook Cass. 3 september 2015).

Op lange termijn voorziet de belasting dat het energieverbruik vanaf 100.000 kWh in aanmerking komt. Uit onderzoek is gebleken dat nog lager energieverbruik overeenkomt met ondernemingen kleiner dan 500m² en zelfs sterke privé-gebruikers. Die ondernemingen van minstens 500m² die uitzonderlijk toch dergelijk laag energieverbruik hebben, kunnen worden verondersteld een beperkte financiële draagkracht te hebben, waar het oppervlaktetarief voor volstaat. Het toe te passen tarief zou bovendien dermate klein worden, dat de administratieve kost van de dat de potentiële opbrengst niet opweegt tegen de administratieve last (bij de onderneming en bij de administratie van de stad).

In een eerste fase worden bovendien de eerste vorken niet aangerekend. Voor de gematigde verbruikers tussen 100.000 kWh en 1.000.000 kWh, waarbij vastgesteld werd dat het energieverbruik vaak ten dele haar oorzaak vindt in gebrekkige isolatie, wordt daarmee het signaal gegeven dat zij mits de nodige investeringen in isolatie, alternatief energieverbruik, … zich op de belasting kunnen voorbereiden. Pas geleidelijk aan wordt voorzien om deze ondergrens te laten zakken, voor het eerst na 5 jaar. De vork vanaf 100.000 kWh zal dus pas op zeer lange termijn effectief belastbaar gesteld worden. 

 

4. Vrijstellingen

Kleine ondernemingen: Er wordt een minimale totale oppervlakte ingesteld (van 500m²). Zo worden de kleine ondernemingen uitgesloten van de belasting, waarvan immers mag worden aangenomen dat de draagkracht gering is zodat zij aan een zeer lage belasting zouden zijn onderworpen. Ook dit beantwoordt aan reeds lang vaststaande rechtspraak (zie o.m. Gent 23 januari 2007, 2005/AR/2536). Er kan worden gesteld dat de potentiële opbrengst niet opweegt tegen de administratieve last (bij de onderneming en bij de administratie van de stad). Uit onderzoek is ook gebleken dat deze ondernemingen doorgaans onvoldoende energieverbruik kennen om op die basis belastbaar te zijn. 

Doordat het gaat om de totale oppervlakte van alle vestigingen op het Gentse grondgebied, komen ondernemingen met meerdere kleinere vestigingen (maar samen dus wel een zekere aanwezigheid op het grondgebied) ook in scope.

Rechtspersonenbelasting: De belasting wenst een bijdrage te bekomen van de economische spelers in de stad. Zij doet dit in de vorm van het huidig belastingreglement, omdat opcentiemen op de vennootschapsbelasting niet zijn toegestaan. Verenigingen en instellingen die onder de rechtspersonenbelasting vallen (in plaats van de vennootschapsbelasting), kunnen worden gesteld geen economische activiteit uit te oefenen. Daarom wordt uitdrukkelijk voorzien in die rechtspersonen vermeld in artikel 180-181-182 WIB, waar de entiteiten worden opgesomd die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Sinds de hervorming van het economisch recht, is het minder vanzelfsprekend dat alle vzw’s aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen. De administratie werkt een samenwerking uit met de FOD Financiën die de controle op deze vrijstelling faciliteert.

Starters: De Stad Gent stimuleert starters op verschillende manieren, onder meer met het OOG (Ondersteuningspunt Ondernemers Gent), events voor startende ondernemers, gratis starten en het starterscontract. Het bestuur wil zo Gent aantrekkelijk maken voor nieuwe ondernemers. Starters die zich ontwikkelen tot sterke lokale ondernemingen, maar ook gevestigde waarden die een eerste vestiging in Gent starten, brengen heel wat voordelen mee op vlak van werkgelegenheid, dienstverlening naar de burger, … Het is daarom verantwoord deze starters te ondersteunen in het kader van dit belastingreglement, door een tijdelijke vrijstelling van 3 jaar te verlenen aan nieuwe ondernemingen. Die periode kan dan door de nieuwe vestiging gebruikt worden om de leefbaarheid van de vestiging in Gent te analyseren en verderzetting te beoordelen. De hoge retentiegraad in Gent toont aan dat het ondersteunen van starters op deze manier bovendien rendeert op lange termijn.

Het verleden heeft aangetoond dat dit begrip ‘nieuwe bedrijven’ grondig moet worden gedefinieerd om misbruiken te vermijden. Het gaat in eerste instantie om die ondernemingen die voorheen nog geen vestiging exploiteerden op het grondgebied van Gent. Een tweede Gentse vestiging van een bestaande onderneming is geen nieuw onzeker verhaal, waarvan de leefbaarheid in Gent nog moet worden onderzocht. Evenmin kan een zelfstandige, die zijn activiteiten in een vennootschap onderbrengt, gezien worden als een nieuwe onderneming. Het gaat om het verderzetten van bestaande activiteiten, en zelfs over het verderzetten van dezelfde vestiging. Kortom moet het gaat om een belastingplichtige die voorheen geen vestiging exploiteerde op het grondgebied van Gent, en mag die belastingplichtige ook niet ontstaan zijn door wijziging, samenvoeging of splitsing, juridisch of op andere wijze, van een dergelijke natuurlijke of rechtspersoon of erdoor zijn opgericht.

Groeiers: De Stad Gent ondersteunt niet alleen starters; ook de groei van bestaande ondernemingen willen we ondersteunen. Ondernemingen die door groei in een hogere energievork terechtkomen, kunnen op hun vraag nog 3 aanslagjaren lang genieten van het tarief dat voor hun bestaande energievork van toepassing was. De uitbreiding blijft op die manier tijdelijk onbelast. Omdat deze vrijstelling slechts éénmaal per onderneming en per groei wordt toegestaan, vereisen we hier uitzonderlijk dat de onderneming de gedeeltelijke vrijstelling uitdrukkelijk aanvraagt. Zo wordt vermeden dat de vrijstelling wordt ‘opgebruikt’ aan een eenmalige toevallige stijging van energieverbruik, die geen indicatie is van een structurele groei van de onderneming.

Vrijstellingen met betrekking tot groene energie: Het gebruik van groene energie, waaronder wordt begrepen de automatisch aanwezige energie uit zon, warmte, water en wind, moet worden aangemoedigd.
In het kader van dit belastingreglement gebeurt dit onder meer door de vrijstelling van de oppervlakte die nodig is voor de installaties die die groene energie gebruiken (en meestal omzetten in elektrische energie). Hoewel deze oppervlakte uiteraard nuttig is voor de onderneming, wenst het bestuur door het vrijstellen van die oppervlaktes het signaal te geven dat ze deze initiatieven ondersteunt. Het gaat enkel om de oppervlakte van de installatie zelf.
Verder wordt deze groene energie – die bovendien moeilijk kwantificeerbaar is – ook vrijgesteld, en dient zij niet te worden opgeteld bij het totale energieverbruik van de onderneming. Het gaat om de groene energie zelf, niet de eventuele elektriciteit die ermee wordt opgewekt (maar zie daarvoor hieronder).
De opgesomde energievormen onderscheiden zich bovendien van andere hernieuwbare energiebronnen in die zin dat zij praktisch gesproken van nature eindeloos aanwezig zijn, terwijl andere hernieuwbare energiebronnen zoals biomassa of afvalstromen in theorie eindeloos hernieuwbaar zijn maar daarvoor handelingen vereisen. 

Vrijstelling met betrekking tot lokaal opgewekte elektriciteit: Het bestuur wenst de ondernemingen mee te betrekken in haar doelstellingen op vlak van lokaal eigen verbruik. Elektriciteit die lokaal wordt opgewekt en verbruikt, belast immers het distributienet niet waardoor de kosten voor de distributienetbeheerders – die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn en waarin het bestuur dus een financieel belang heeft – beperkt worden. Lokaal geproduceerde en verbruikte elektriciteit dient dus niet te worden opgeteld bij de totale belastbare energie. Dit zorgt er bovendien voor dat de vrijgestelde groene energie ook vrijgesteld blijft na omzetting in elektriciteit, anderzijds dat door middel van fossiele brandstoffen lokaal opgewekte elektriciteit niet een tweede keer wordt belast (gezien de primaire energiebron wel belastbaar blijft).

Gezien deze vrijstelling de positieve impact op de belasting van het distributienet wenst te stimuleren, spreekt het voor zich dat de vrijstelling dan ook beperkt moet blijven tot de ter plekke verbruikte energie. De aanpak van de VREG met betrekking tot zonnepanelen van particulieren wordt dus gevolgd: lokaal opgewekte en verbruikte stroom dient niet in rekening te worden gebracht, maar de geïnjecteerde stroom kan niet van de op andere momenten afgenomen stroom worden afgetrokken.

Er mag van uit gegaan worden dat de ondernemingen die de doelgroep uitmaken van deze belasting, wanneer zij fotovoltaïsche installaties aanleggen, al over aparte meters beschikken voor afname en injectie (gezien de verplichting hiertoe voor installaties van meer dan 10kW). Uitzonderlijke kleinere installaties zonder (voorlopig) aparte injectieteller, zullen niet van dien aard zijn dat zij een aanzienlijke impact hebben op het totale energieverbruik van de onderneming, rekening houdende met de initieel voorziene ondergrenzen.

Het gaat zowel om de elektriciteit uit installaties waarvan de onderneming zelf eigenaar is, als deze die in samenwerking met een derde partner op hun site zijn opgericht, zolang de elektriciteit maar rechtstreeks aan de onderneming geleverd wordt (en dus niet via het distributienet). Daardoor wordt ruimte geboden voor installaties waar de onderneming de eigendom, samen met onderhoud, heeft uitbesteed. Het eindresultaat is immers hetzelfde: een ontlasting van het distributienet.

Vrijstelling met betrekking tot energie die niet op de vestiging wordt gebruikt: Zoals hoger aangegeven wordt als indicator gekeken naar het energieverbruik van de ondernemingen op de site zelf. Energie – zowel elektrische als door middel van andere energiedragers – die dienstig is voor voertuigen die de openbare weg op gaan (in het reglement omschreven als die voertuigen die onder de verkeersbelasting op de motorvoertuigen vallen of die speciaal van die belasting zijn vrijgesteld door een bepaling van de desbetreffende wetten) wordt dan ook vrijgesteld. Zij moet niet worden aangegeven of kan, in het geval van elektrische laadpalen na het meetpunt, worden afgetrokken. Dit is logisch, gezien de energie door deze voertuigen niet op de vestiging wordt verbruikt. Er valt niet vast te stellen waar de energie precies verbruikt wordt – mogelijk is dit niet eens op het grondgebied van de Stad. Bovendien wordt op die manier vermeden dat er een ongelijke behandeling ontstaat tussen ondernemingen die voor hun medewerkers in een tankkaart of laadkaart voorzien, en ondernemingen die zelf in laadinfrastructuur voor hun medewerkers voorzien.

Het bestuur wil bovendien aanmoedigen dergelijke laadinfrastructuur ook open te stellen voor het publiek, wat uiteraard zou worden afgeremd indien dit voor de ondernemingen in een hoger belastbaar energieverbruik (en dus hogere belasting) zou resulteren.

Vrijstelling met betrekking tot lokale energierecuperatie: Hergebruik van energie wordt op een aantal punten al impliciet aangemoedigd in dit belastingreglement. Zo is warmte als energiebron vrijgesteld, waardoor het hergebruik van de restwarmte van de ene onderneming in de andere onderneming automatisch een voordeel oplevert. De ontvangende onderneming, hoeft voor die warmte immers geen belastbare energiebronnen te gebruiken (en aan te geven). Ook binnen één vestiging wordt recuperatie bevoordeeld door enkel de primaire energiebron te belasten. Het gebruik van een warmtekrachtkoppeling, die uit bijvoorbeeld aardgas zowel elektriciteit als warmte opwekt, resulteert enkel in een belastbaar gasverbruik.

Het bestuur wil ook innovatieve samenwerkingen met betrekking tot op zich belastbare reststromen tussen verschillende ondernemingen aanmoedigen. De restenergie (CO­2-gas, waterstof, … die in feite een afvalstroom van een eigenlijk bedrijfsproces is), die via een eigen rechtstreeks kanaal (een specifieke pijpleiding, …) van de ene Gentse vestiging wordt afgestaan aan een andere Gentse vestiging om daar verder te worden gebruikt, wordt volledig vrijgesteld: voor de helft bij de aanleverende onderneming, die de helft van de energiestroom terug in mindering mag brengen van haar totale belastbare energieverbruik; voor de helft bij de ontvangende onderneming, die de energiestroom slechts voor de helft moet aangeven. Op die manier hebben beide ondernemingen baat om op creatieve manier afvalstromen die nog nuttig kunnen zijn voor andere ondernemingen, te capteren en te (laten) hergebruiken.

Hoewel het aantal projecten van dit type voorlopig beperkt is, beoogt het bestuur door deze vrijstelling de ondernemingen ertoe aan te zetten dergelijke samenwerkingen, die een positieve impact hebben op de klimaatdoelstellingen, aan te moedigen.


5. Algemene bepalingen

5.1. Duurtijd

Het reglement loopt uitzonderlijk tot 2031, het einde van de volgende legislatuur. Deze uitzonderlijke maatregel is verantwoord, nu het reglement de uiting is van een visie op lange termijn: na verloop van 5 jaar is in 2027 voorzien in een eerste daling van de ondergrens voor energieverbruik. Daarna biedt het reglement opnieuw 5 jaar stabiliteit. Het is belangrijk bij ambities op lange termijn, voldoende duidelijkheid en voorspelbaarheid te bieden aan de belastingplichtigen.

De hogere wetgeving verzet zich niet tegen dergelijke aanpak. Het eenjarigheidsbeginsel in fiscaliteit houdt voor lokale belastingen niet in dat het belastingreglement elk jaar opnieuw zou moeten worden goedgekeurd. In tegendeel biedt het goedkeuren van het reglement voor meerdere jaren een stabiliteit en voorspelbaarheid.   De omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit stelt weliswaar dat het wenselijk is de geldigheidsduur beperkt te houden tot één jaar in de volgende legislatuur, doch dit betreft (slechts) een richtlijn die vooral steekhoudt bij verlenging van belastingreglementen met minimale wijziging. Bij een sterk vernieuwd reglement dat bovendien een visie uitdraagt naar de toekomst, is het belangrijk die visie voor voldoende lange tijd te veruitwendigen.

Dit belet uiteraard niet dat het (huidige of volgende) bestuur gedurende de looptijd het belastingreglement kan aanpassen indien noodzakelijk of gewenst, zoals het huidige bestuur voorziet in een evaluatie en desgevallend bijsturing/verfijning van het reglement na een aanslagjaar toepassing.

Aan de belastingreglementen wordt wel jaarlijks uitvoering gegeven door de inschrijving van de overeenkomstige kredieten in het meerjarenplan.


5.2. Belastingverhoging

Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, wordt voorzien in een belastingverhoging bij de ambtshalve vestiging van de belasting. Er mag van de ondernemingen verwacht worden dat zij tijdig de aangifte indienen, zoals al jaren wordt verwacht voor de economische belastingen. Gezien het een sterk gewijzigd, vernieuwd belastingreglement betreft wordt voorlopig geen belastingverhoging toegepast bij onjuiste, onnauwkeurige of onvolledige aangifte. In een startperiode is het niet abnormaal dat de ondernemingen te goeder trouw fouten in de aangifte zouden maken. Pas na vijf jaar werking van het reglement – wanneer ook de eerste maal de ondergrens voor de component energie daalt – zal, net zoals bij de andere Gentse belastingreglementen, ook daarvoor een belastingverhoging worden toegepast indien de belasting ambtshalve moet worden gevestigd.

Het Team Belastingen Economie+ is belast met de uitvoering van dit reglement.

Overzicht van de inkomsten

Dienst* Belastingen Economie+
Budgetplaats 7340000 
2022 22.876.455 
2023 23.264.811 
2024 23.659.768 
2025 24.061.441 
Totaal 93.862.475 


Verwachte ontvangsten

€ 93.862.475,00

Activiteit

AC35508 Opmaak van economiegerelateerde belasting- en retributiereglementen, verwerking en invordering van de kohierbelastingen ervan

Besluit

Artikel 1

Keurt goed het belastingreglement 'Algemene bedrijfsbelasting' zoals gevoegd in bijlage, met ingang van 1 januari 2022.

Bijlagen