Terug
Gepubliceerd op 11/02/2022

2022_CBS_01383 - OMV_2020020396- aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van het Logistiek Centrum Infrastructuur met dienstgebouw Infrabel Gent-Sint-Pieters met inbegrip van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg – samenvatting en bespreking bezwaren openbaar onderzoek - Goedkeuring

college van burgemeester en schepenen
do 10/02/2022 - 08:31 Virtueel - Via Microsoft Teams
Datum beslissing: do 10/02/2022 - 08:49
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter; Filip Watteeuw, schepen; Sofie Bracke, schepen; Elke Decruynaere, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Sami Souguir, schepen; Tine Heyse, schepen; Isabelle Heyndrickx, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Hafsa El-Bazioui, schepen; Rudy Coddens, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Luc Kupers, adjunct-algemeendirecteur

Secretaris

Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Voorzitter

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter
2022_CBS_01383 - OMV_2020020396- aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van het Logistiek Centrum Infrastructuur met dienstgebouw Infrabel Gent-Sint-Pieters met inbegrip van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg – samenvatting en bespreking bezwaren openbaar onderzoek - Goedkeuring 2022_CBS_01383 - OMV_2020020396- aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van het Logistiek Centrum Infrastructuur met dienstgebouw Infrabel Gent-Sint-Pieters met inbegrip van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg – samenvatting en bespreking bezwaren openbaar onderzoek - Goedkeuring

Motivering

Gekoppelde besluiten

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

• Het decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 24

• Het Besluit van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 34

• De Vlaamse codex ruimtelijke ordening (VCRO)

• Het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM)

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

• Het Besluit van 27 november 2015 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 34

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

De aanvraag heeft betrekking op een Vlaams Project, om die reden is de Vlaamse Overheid de vergunningverlenende overheid.

Op 24 november 2021 werd aan de gemeente de vraag gesteld een openbaar onderzoek te organiseren en de gemeenteraad een beslissing met betrekking tot de zaak van de wegen te laten nemen.

Op 26 november werd aan het college gevraagd een advies uit te brengen binnen een termijn van 50 kalenderdagen conform artikel 67, §3, van het OVB.

Wordt die termijn niet in acht genomen, dan wordt het collegeadvies geacht gunstig te zijn en kan de Vlaamse Overheid de vergunning verlenen zonder hierbij rekening te moeten houden met eventuele voorwaarden van de stad. Bovendien komt de beroepstermijn voor de adviesverlenende instanties te vervallen wanneer laattijdig advies wordt verleend.

Het college bracht op 6 januari 2022 een voorwaardelijk gunstig advies uit aan de Vlaamse Overheid.

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 10 december 2021 tot 8 januari 2022. Op het moment van opmaak van dat advies was het openbaar onderzoek dus nog niet afgerond en waren bijgevolg nog niet alle bezwaarschriften ontvangen.  


Waarom wordt deze beslissing genomen?

Conform artikel 34 van het omgevingsvergunningsbesluit staat het college van burgemeester en schepenen in voor een gemotiveerde beoordeling van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Aanvullend bij het eerder uitgebrachte advies, bevat voorliggend aanvullend besluit dus de bespreking van de resultaten van het openbaar onderzoek zodat dit als addendum bij het advies van 6 januari kan overgemaakt worden aan de Vlaamse Overheid.

De uiterste datum van de beslissing omtrent de omgevingsvergunningsaanvraag voor de Vlaamse Overheid is 23 mei 2022.

Er werden 2 schriftelijke en 24 digitale bezwaarschriften ingediend.

De bezwaren kunnen als volgt worden samengevat en geëvalueerd:

A. Bezwaar betreffende het dienstgebouw

Bezwaar: Het concept van het gebouw voldoet niet aan de bepalingen van het GRUP

Het GRUP bepaalt : “In elke zone wordt minstens 50% van de gelijkvloerse vloeroppervlakte (= de contactzone met het openbaar domein) van de zone voorbehouden voor publiek toegankelijke functies en/of woningen.” Dit is het tweede gebouw van zone B dat niet voldoet aan deze voorwaarde.

Uit de toelichting blijkt ook: “Daarnaast is het wenselijk dat het gelijkvloerse niveau van de gebouwen zoveel mogelijk wordt ingericht met publiek toegankelijke functies... het gelijkvloerse programma dient een relatie aan te gaan met het openbaar domein en zo het openbaar domein mee betekenis te geven. Op die manier wordt de leefbaarheid en de sociale controle van het openbaar domein sterk vergroot.”.

De aanvraag gaat hier volledig tegen in: de gelijkvloerse verdieping en eerste verdieping bestaan uit een fietsenstalling, hoge inkomhal, 2 vergaderzalen en een materialenloods (op de eerste verdieping). De gelijkvloerse verdieping gaat op geen enkele manier het contact aan met de omgeving en is een aanfluiting van alle stedenbouwkundige inzichten die de voorbije jaren zijn uitgebracht.

Evaluatie van het bezwaar:

De aanvraag voor het gebouw en de logistieke zone is gelegen binnen de zone die in het RUP is bestemd voor LCI (deelgebied 4), bestemd voor infrastructuurwerken gekoppeld aan spoorwegexploitatie. In het gebied kunnen bovengrondse parkeerplaatsen voorzien worden voor laden en lossen. In de gearceerde zone kan een kantoorgebouw worden opgericht dat uitsluitend diensten herbergt die rechtstreeks verband houden met de spoorwegexploitatie.

In dit artikel/deze zone wordt niet een bepaald percentage publiek toegankelijke functies of woningen opgelegd. Dit wordt ook niet toelichtend vermeld.

De vermeende strijdigheid waarnaar in de bezwaarschriften wordt verwezen, heeft betrekking op het voorschrift en de toelichting uit artikel 1. Stationsomgeving Gent Sint-Pieters, waaraan deze aanvraag wel grenst, maar waar binnen deze aanvraag geen gebouwen in worden opgericht. Dit bezwaar is dan ook onterecht.

De stelling dat de gelijkvloerse verdieping op geen enkele manier het contact aangaat met de omgeving wordt evenmin bijgetreden. Bij het ontwerp van het gebouw is wel rekening gehouden met de specifieke locatie van het programma in functie van een levendige plint. Alle publieke toegangen van het gebouw bevinden zich aan de zijde van en op het niveau van de Boentweg. Hier wordt ook de relatie gelegd met de trappen en liftkokers van de ondergrondse pendelparking. De technische en opslagruimtes worden zoveel mogelijk op de eerste verdieping of aan de achterzijde van het gebouw geplaatst. Daglichtbehoevende functies worden ingericht aan de straatzijde van de sokkel, om zo de levendigheid van de plint te verhogen.

Het programma is afgestemd op de bestemming van spoorweggebonden kantoren uit het RUP. De indeling in het gebouw is functioneel gekozen en zorgt voor een levendigheid ter hoogte van de plint aan de Boentweg. De gevel aan stadszijde is integraal uitgewerkt met groene terrassen die de levendigheid in relatie tot de omliggende bebouwing moeten verhogen.

 

B. Bezwaren betreffende de buitenaanleg bij het dienstgebouw

Bezwaar: De vrees bestaat dat men op deze nieuwe stapelplaats activiteiten verderzet die nu op verschillende andere opslagplaatsen van Infrabel langs de Koningin Fabiolalaan plaatsvinden, bijvoorbeeld ter hoogte van de Suzanne Lilarstraat. De huidige opslagplaatsen werden verkocht, met als bedoeling er nieuwe gebouwen op te zetten, kantoorgebouwen en woongebouwen.

Het beheer van de huidige stapelplaatsen is problematisch. Volgens de bezwaarschrijver werden al verschillende klachten ingediend bij Infrabel wegens onvoldoende afdekken van door de wind verplaatsbaar afval, wegwaaien van verpakkingsmateriaal, onoverdekt opslaan van dwarsliggers, geur- en geluidshinder,...

De vrees bestaat bijgevolg dat deze slecht beheerde stapelplaatsen nu op deze wijze zullen worden verplaatst naar de lange zone langsheen de sporen. Dit is onaanvaardbaar gezien de nabijheid van bestaande en nieuw op te richten gebouwen. De opslag komt dan veel te dicht in de buurt van de bestaande (bv Diamant) en op te richten (bv Rinkkaai met meer dan 300 nieuwe wooneenheden), gebouwen.

De projectaanvraag omvat geen omschrijving van de geluidswal die voorzien is en is niet sluitend ter hoogte van de Boentweg.

De akoestische nota BO bevindt zich niet bij de stukken van het openbaar onderzoek, enkel de aanvullende nota “akoestisch advies – aanvulling van 5 oktober 2020.”

Evaluatie van het bezwaar:

De ligging van de logistieke zone horende bij het logistiek centrum infrastructuur (LCI) is vastgelegd in het RUP. De logistieke zone wordt daarbij van de projectontwikkeling in de zone B (binnen zone Stationsontwikkeling in het RUP)  afgescheiden door de geluidsmuur die op het RUP is aangegeven. De logistieke zone op zich kan dan ook niet meer in vraag gesteld worden, die is immers expliciet voorzien in het RUP.

De bezorgdheden van de buurt worden wel gedeeld, de aanvrager zal ervoor moeten zorgen dat de hinder zo minimaal mogelijk is.

Aangezien de logistieke zone inherent is aan de uitbating van de sporen houdt dit echter niet in dat het stapelen van goederen op deze plek niet zou kunnen.

Zoals de bezwaarschrijvers vermelden zal de logistieke zone de bestaande stapelzones langs de Koningin Fabiolalaan vervangen. Met deze aanvraag worden de stapelzones compacter georganiseerd. Hiertoe worden ook diverse luifels op het terrein ingericht. Op deze manier kunnen maatregelen getroffen worden om de hinder voor de omgeving te beperken.

Hoe dan ook zijn de artikels uit Vlarem II van toepassing omtrent hygiëne en hinderbeheersing:

Afdeling 4.1.3. Hygiëne en hinderbeheersing

De ingedeelde inrichting of activiteit wordt zindelijk gehouden.

Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, worden doeltreffende maatregelen genomen om ongedierte te bestrijden.

De ingedeelde inrichting of activiteit verkeert altijd in een goede staat van onderhoud. Elk gebrek dat de bescherming van mens en milieu in het gedrang brengt, wordt onmiddellijk verholpen.

Artikel 4.1.3.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.

Artikel 4.1.3.3

Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen.

Dit zijn voorwaarden waaraan elk bedrijf/exploitant zich moet houden. Inbreuken hiertegen kunnen steeds bij de dienst Toezicht worden gemeld.

Het RUP voorziet daarbij ook in een geluidsscherm tussen de zone voor LCI (logistiek centrum infrastructuur) en de Stationsomgeving Gent Sint-Pieters. In het RUP is voorzien dat dit geluidsscherm langs de ‘stationsomgeving’ (zone C en zone B) wordt gerealiseerd gelijktijdig met de aanleg van de tegenoverliggende open ruimte (stadstuin, park of interne ontsluitingsweg). Deze moet dus niet met de aanleg van de logistieke zone zelf worden ingericht, maar wel bij de ontwikkeling van de aanpalende projectontwikkeling (binnen de zone ‘stationsomgeving’). Het geluidsscherm is in het RUP als verplichting ingeschreven, weliswaar gekoppeld aan de eigenlijke projectontwikkeling en niet aan het LCI. Vandaag is er geen geluidsscherm tussen de bestaande zone en de Rijsenbergwijk. Het voorzien van een geluidscherm zal voor de ruimere omgeving een meerwaarde zijn.

In de bijlagen die in openbaar onderzoek werden gelegd is “Bijlage4 GESP-VO-E Akoestiek.pdf” inbegrepen met als titel “NOTA VOORONTWERP - E. AKOESTIEK” Dit rapport bespreekt de aspecten akoestiek van het Dienstgebouw/LCI-antenne van Infrabel te Gent-Sint-Pieters. Dit rapport is dus mee in openbaar onderzoek ter inzage gelegd.    In het MER is geconcludeerd dat verder geen milderende maatregelen met betrekking tot geluid en akoestiek genomen dienen te worden (zie verder bij behandeling bezwaar omtrent het onderzoek van de hinder naar omwonenden in het MER).


Bezwaar: De voorziene verharding is niet in overeenstemming met het algemeen bouwreglement van de stad Gent

Uit verschillende studies en rapporten blijkt duidelijk het hitte-effect ten gevolge van verharding. Op geen enkele plaats in zone A, waar dit gebouw bij aansluit, is ruimte gemaakt voor ontharding of vergroening.

Art. 12 van het Algemeen Bouwreglement van de stad Gent bepaalt dat “Het verharden van oppervlaktes moet tot een minimum beperkt worden. De strikt noodzakelijke verhardingen moeten waar mogelijk als verharding met natuurlijke infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden”. De omgevingsvergunning voldoet niet aan deze bepalingen. Bovendien is in het MER niet nagegaan op welke manier de verharding in de buitenaanleg tot een minimum kan worden beperkt. De voorziene weginfrastructuur is met dit project zeer omvangrijk en kan worden gereduceerd.

Evaluatie van het bezwaar:

De logistieke zone is inderdaad voor het overgrote deel verhard, weliswaar deels ook met waterdoorlatende materialen. In het advies van het college van 6 januari 2022 werd ook aangehaald dat het te betreuren is dat in deze zone geen ruimte voor hoogstammig groen werd voorzien. Anderzijds moet ook rekening gehouden worden met de specifieke beperkingen die de exploitatie stelt op dit vlak. Binnen het RUP zijn op dat vlak geen voorwaarden opgelegd. Tijdens de voorbesprekingen heeft de dienst Milieu en Klimaat samen met Infrabel onderzocht welke delen van de logistieke zone in waterdoorlatende verhardingen kunnen worden aangelegd. Volgende delen zijn in waterdoorlatende materialen voorzien:

Groenaanleg:

  • Bermen langs ontsluitingsweg
  • Restruimte rond containerpark
  • Restruimte rond beo-veld
  • Restruimtes rond de parkeerstroken
  • Overgangszone naar Boentweg

Grasdallen:

  • Parkeerstrook voor 37 wagens: 462m²
  • Strook voor 10 aanhangwagens en 9 camionettes: 604m²
  • Strook voor 17 wagens en 24 camionettes: 610m²
  • Strook voor 24 camionettes: 396m²

De verharding bestaat uit deze zones, die zorgvuldig gekozen zijn en tot het minimum beperkt zijn

  • ontsluiting voor onder meer vrachtwagens
  • weegbrug
  • containerpark
  • afspuitzone voor vrachtwagens
  • laad- en loszone spoor
  • beo-veld
  • laad- en loszone
  • technische putten

De overeenstemming met dit artikel werd in het MER onderzocht (§ V.4.1.3. Terrein- en dakoppervlaktes). Hierbij wordt voor elke verharde oppervlakte gemotiveerd waarom deze wordt verhard. Hieronder de motivatie uit het MER

Het totale ruimtebeslag bedraagt met andere woorden ca. 2,53 ha. Buiten de groen-, infiltratie- en restzones (3.309 m2) wordt de volledige buitenaanleg verhard (17.986 m2). Hiervan worden enkel de parkeerplaatsen in waterdoorlatende materialen uitgevoerd (1.787m2 of ca. 10%). Na herinrichting van de projectsite halveert het ruimtebeslag ten opzichte van de huidige situatie. Als gevolg hiervan komt de zone tussen het projectgebied en de K. Fabiolalaan vrij voor de projectontwikkeling in het kader van het stationsproject Gent-Sint-Pieters (zone B).

Volgens het artikel 12 van het ‘Algemeen Bouwreglement Stad Gent’ dient in het kader van de wateroverlast en verdroging de verharding zoveel mogelijk beperkt te worden. De strikt noodzakelijke verhardingen moeten waar mogelijk als verharding met natuurlijk infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden. Gelet op de bestemming van het projectgebied als zone voor LCI, kan gesteld worden dat het aandeel verharding strikt noodzakelijk is voor de geplande activiteiten. De hemelwaterhuishouding is het voorwerp van de discipline Water (zie deel XII). Het duurzaam ruimtegebruik uit zich in dit geval specifiek in het feit dat de LCI-activiteiten zodanig worden gereorganiseerd, dat het ruimtebeslag (hoofdzakelijk verhard) halveert tegenover de huidige situatie.”

Aangezien de logistieke zone inherent is aan deze plek, en deze zone noodzakelijkerwijs verhard is, wordt aan dit artikel uit het algemeen bouwreglement voldaan.

Om deze reden heeft ook het college geen bijkomende voorwaarden opgenomen in haar advies.

 

Bezwaar: De aanvraag voldoet ook niet aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden van het Synthesedocument 2010 mbt verplicht groen.

Dat bepaalt:  “Het niveauverschil met het hoger gelegen spoorwegdomein wordt uitgewerkt door middel van een groen talud (met lage keermuur op het niveau van de Boentweg). Langs het groene talud (en lage keermuur) wordt aan de kant van de projectontwikkeling een groenstrook aangelegd voor de aanplanting van hoogstammige bomen.”.

Evaluatie van het bezwaar:

Het talud en de aanplant van hoogstammige bomen zal voorzien worden binnen de aanpalende projectontwikkeling in zone B, zoals dit ook in de uitwerking van zone C (Rinkkaai) is voorzien.

Ter hoogte van het kantoorgebouw zelf fungeert het gebouw als geluidsscherm, zoals ook zo voorzien is in het RUP. De aanleg van de Boentweg voorziet daarbij wel in 3 groene zones (verhoogd om de wortels van de bomen alle kansen te geven), met daarin 9 bomen. De dekking boven de bestaande ondergrondse parking is hier weliswaar beperkt waardoor ook de bomen beperkt zullen blijven (laagstammen), maar deze bomen zorgen toch voor bijkomend groen, en de link met de zone verderop waar hoogstammen in het talud worden voorzien.

In het Synthesedocument 2010 zijn elementen opgenomen: dwingend vanuit het RUP, dwingend vanuit het proces, en suggesties. Hierbij zijn de elementen uit het proces mee opgenomen als mee te nemen elementen. De voorwaarden vanuit het proces hebben echter betrekking op de uitwerking van Zone B en C, met name de ontsluitingsweg tussen de gebouwen B2 en B3 en de sporen.

Daarbij staat inderdaad aangegeven dat “Het niveauverschil met het hoger gelegen spoorwegdomein wordt uitgewerkt door middel van een groen talud (met lage keermuur op het niveau van de Boentweg). Langs het groene talud (en lage keermuur) wordt aan de kant van de nieuwe projectontwikkeling een groenstrook aangelegd voor de aanplanting van hoogstammige bomen.” Dit geluidsscherm en talud zal dan ook samen met de naastliggende projectontwikkeling in de stationsomgeving worden voorzien en aangelegd. Deze bepaling heeft dus geen betrekking op de zone voor het LCI.

 

Bezwaar: De milieueffecten van deze omgevingsvergunning op de toekomstige bewoning in zone B zijn niet onderzocht in de MER.

De verharding en ontwikkeling van 2,5ha tussen de sporen en zone B heeft een grote impact op de toekomstige bewoning in zone B. Volgende milieu-effecten zijn daarbij belangrijk: geluidsoverlast (continudienst, opslag zwaar spoormateriaal, laden en lossen van vrachtwagens), lichthinder, visuele hinder,...

De activiteiten dichtbij de woonwijk kunnen heel wat negatieve effecten op de woonwijk genereren, zoals geluidsoverlast (ook bij nacht) en lichthinder. In het dossier is op geen enkele manier onderzocht wat de impact van deze activiteiten kan zijn. De bezwaarschrijver vraagt zich af of het überhaupt aanvaardbaar is dat dergelijke activiteiten dichtbij een woonwijk worden ontplooid.

Op dit moment is er al regelmatig geluidsoverlast in de week, ‘s nachts en in de weekends. Het is het moment om hier iets aan te doen door het plaatsen van geluidsschermen of dergelijke meer.

Evaluatie van het bezwaar:

In het MER horende bij deze aanvraag is de effectgroep geluid en trillingen (hoofdstuk IX) onderzocht, ook voor tijdens de installatie en ook de exploitatiefase van het gebouw en de logistieke zone. Hierbij is het laden en lossen in rekening gebracht.

In de conclusie is hierover het volgende opgenomen:

Aangezien: 

  • Er voor de exploitatiefase 1, zowel voor de continue geluidsbronnen, als voor de noodstroomgenerator, een incidentele geluidsbronnen, als voor de impulsachtige geluidsbronnen (laad- en losactiviteiten, activiteiten in de werkplaats) in alle evaluatiepunten in de omgeving het berekende geluidsdrukniveau steeds voldoet aan de toepasselijke voorwaarden voor een nieuwe inrichting, en dit voor de 3 beoordelingsperiodes van het etmaal, zijnde de dag, de avond en de nacht;
  • Er tijdens de exploitatiefase 1 een verwaarloosbare impact wordt verwacht inzake verkeersgeluid;
  • Er voor de exploitatiefase 2 voor de continue geluidsbronnen – er worden geen extra incidentele geluidsbronnen meer voorzien - in alle evaluatiepunten in de omgeving het berekende geluidsdrukniveau steeds voldoet aan de toepasselijke voorwaarden voor een nieuwe inrichting, en dit voor de 3 beoordelingsperiodes van het etmaal, zijnde de dag, de avond en de nacht;
  • Er tijdens de exploitatiefase 2 eveneens een verwaarloosbare impact wordt verwacht inzake verkeersgeluid.

Wordt vanuit de discipline geluid en trillingen geconcludeerd dat het uitvoeren van het projectvoornemen geen aanzienlijk negatieve effecten zal hebben op de geluidsomgeving. 

Er worden geen aanbevelingen of milderende maatregelen nodig geacht voor de discipline geluid en trillingen. De technische installaties zullen voldoen aan de toepasselijke grenswaarden uit VLAREM II, mits als bestekeis voor de noodstroomgenerator een maximaal geluidsvermogenniveau van Lw = 94 dB wordt opgelegd.”

Ook heel wat andere potentiële effecten werden wel degelijk onderzocht in het MER:

Op vlak van de landschappelijke inkadering werd de effectgroep Erfgoed (XIV) onderzocht, met volgende conclusie: “In het projectgebied is geen beschermd, vastgesteld of geïnventariseerd onroerend erfgoed aanwezig. De site is al sinds het begin van de vorige eeuw in gebruik voor de spoorwegexploitatie en ligt ingesloten tussen bewoning en infrastructuren. De terreinen werden indertijd opgehoogd en liggen op een markant talud met bomenranden. 

Het project past qua activiteiten en omvang in de schaal van zijn stedelijke omgeving met kantoorachtingen en het station Gent-Sint-Pieters....”

Effectgroep Mens-Ruimtelijke aspecten (XV) gaat in op de beleving van de visuele aspecten en de hinderaspecten waaronder Licht en Wind, maar ook de gezondheidsaspecten als lucht en geluid. Hierbij staat volgende conclusie: “De geplande invulling van het projectgebied past in de ontwikkelingsvisie op de stationsomgeving en activeert een nieuw deel hiervan langs de K. Fabiolalaan. De site blijft ten dienste staan van de spoorwegexploitatie, maar met de helft minder ruimtebeslag waardoor bestaande barrières verdwijnen. Het private logistieke gedeelte wordt strikt gescheiden van het meer publieke kantoorgedeelte op de stedelijke hoek. Het dienstgebouw is qua functies compatibel met de omgeving en zorgt voor meer afwisseling en architecturale kwaliteit. Het project heeft een positieve impact op de ruimtelijke structuur van de omgeving en op de gebruikswaarde van de site. 

...

Gedurende de aanlegfase zullen ervoor zowel lucht als geluid bijkomende emissies optreden als gevolg van de werkzaamheden, maar dit effect is slechts tijdelijk. Voor de exploitatiefase zijn als gevolg van dit project geen significante bijdragen met risico’s op gezondheidsklachten voor bewoners en gebruikers te verwachten.”

In het MER is geconcludeerd dat vanuit de discipline geluid en trillingen het uitvoeren van het projectvoornemen geen aanzienlijk negatieve effecten zal hebben op de geluidsomgeving. Er zijn bovendien positieve visuele effecten ten aanzien van de omgeving. Het is dus onterecht dat dit niet is onderzocht in kader van het MER. Bovendien zijn reeds in het RUP maatregelen ingeschreven mbt geluidsbuffering ten aanzien van de spoorwegexploitatie.

 

C. Bezwaar betreffende de Boentweg

Bezwaar: De Boentweg is niet in overeenstemming met de bepalingen van het GRUP, meer bepaald met Art. 6 ‘Pad doorheen het plangebied’ en Art. 5 ‘Interne ontsluitingsweg’. Het grafisch plan van dit GRUP geeft indicatief de plaats van de Boentweg aan, het voorgelegd ontwerp volgt dit niet. Bovendien is de omgevingsvergunningsaanvraag onvolledig aangezien de conformiteit met de voorschriften van het RUP niet wordt geduid.

In de vergunningsaanvraag wordt de keuze gemaakt de Boentweg vlak naast het Diamantgebouw aan te leggen en al te laten eindigen ter hoogte van de Aaigemstraat zonder hiervoor een verantwoording te geven. Het synthesedocument 2010 waar in de toelichtingsnota naar wordt verwezen geeft aan dat “De interne ontsluitingsweg of zgn. Boentweg is gelegen tussen de gebouwen B2, B3 en het spoorwegtalud. De Boentweg sluit aan op de K. Fabiolalaan ter hoogte van de Sportstraat.”

Bovendien heeft de Vlaamse Regering er in de plannen duidelijk voor gekozen om de Boentweg doorheen het hele projectgebied zone B te laten lopen: “ De interne  ontsluitingsweg is een lokale weg. Bij de aanleg dient voldoende aandacht te gaan naar het verblijfskarakter van de weg. Daar het een interne ontsluitingsweg betreft is een menging van auto-, fiets- en voetgangersverkeer wenselijk. Deze weg moet zo worden ingericht dat doorgaand verkeer van de R4 naar het stadscentrum van Gent zoveel mogelijk wordt ontmoedigd. Verkeerstechnische maatregelen zullen verder verhinderen dat de Rijsenbergwijk met doorgaand verkeer zal worden belast. ”

De omgevingsvergunningsaanvraag is onvolledig omdat niet duidelijk wordt gemaakt (1) op welke manier de “interne ontsluitingsweg” en het “pad doorheen het projectgebied”, die op deze plaats samen lopen, zullen ingericht worden met aandacht voor fietsers en voetgangers. Deze weg maakt integraal deel uit van het stadsregionaal fietsroutenetwerk. (2)Welke verkeerstechnische maatregelen zullen genomen worden om doorgaand verkeer tussen de R4 en de Rijsenbergwijk te ontmoedigen.

Evaluatie van het bezwaar:

In de beschrijvende nota van de architect horende bij de aanvraag tot omgevingsvergunning wordt het project getoetst aan de voorschriften van het RUP. Onder punt 2.2.2 Gewestelijk RUP wordt inderdaad enkel de conformiteit met de ‘interne ontsluitingsweg’ getoetst en niet de voorschriften onder ‘pad doorheen het plangebied’.

Onder punt 10 ‘omgevingsaanleg openbare ruimte – Boentweg & Verbindingsweg K. Fabiolalaan’ wordt onder 10.2 ‘planologische context’ echter dieper ingegaan op de diverse bepalingen die met de ontsluiting van het gebied te maken hebben. Hierbij wordt de relatie tussen de ‘interne ontsluitingsweg’ en het ‘pad doorheen het projectgebied’ duidelijk weergegeven. Het RUP heeft toelichtend meegegeven dat deze beide routes in zone B mogelijks plaatselijk kunnen samenvallen. Het klopt dus niet dat het dossier op dit vlak onvolledig zou zijn.

Het aantakken op de K. Fabiolalaan ter hoogte van de Aaigemstraat is ook onder dit hoofdstuk geduid, binnen de grotere ontwikkeling en de relatie met zone B (waar beide ontsluitingen verder worden uitgewerkt en verdergezet). Hierbij is uitgegaan van gemengd verkeer, zoals voorzien in het RUP. De interne ontsluitingsweg wordt hierbij geknipt ter hoogte van de Timichegtunnel, zoals ook in het verleden werd afgestemd met Ruimte Vlaanderen (huidig Departement Omgeving). Dit past binnen de oorspronkelijke basisgedachte van het RUP om doorgaand verkeer tussen de Rijsenbergwijk en de R4 zoveel mogelijk te ontmoedigen. De focus ligt hier op de doorlopende ontsluiting voor fietsers, waarbij het verkeer gemengd wordt met plaatselijk autoverkeer. Zoals ook meegegeven in het collegebesluit van 6 januari 2022 stemt het college in met deze interpretatie van het RUP en is dit bijgevolg conform de verordenende voorschriften en de doelstellingen van het RUP.

De aantakking op de Koningin Fabiolalaan zoals voorzien in deze aanvraag is een voorlopige situatie om het LCI te ontsluiten voor brandweer en dienstvoertuigen. Het uiteindelijke tracé van de interne ontsluiting en het pad van stad naar land zal verder worden uitgewerkt in het kader van de projectontwikkeling in zone B, aansluitend bij deze in zone C.

De interne ontsluitingsweg zal wel degelijk door zone B lopen, maar deze zone vormt niet het voorwerp van deze vergunningsaanvraag. De huidige aanvraag is op geen enkele manier een belemmering voor het uitvoeren van de interne ontsluitingsweg in zone B.

Het klopt dus ook hier niet dat het dossier op dit vlak onvolledig zou zijn.


D. Bezwaar betreffende het Rijsenbergpark

Bezwaar: Door de overheid is beloofd dat in het kader van het project Rinkkaai een buurtpark (Rijsenbergpark) zal komen tussen de sporen en de Koningin Fabiolalaan. Voorliggende vergunning wil nu op een gedeelte van (of juist naast) de voor park bedoelde gronden gevaarlijke goederen opslaan, wat niet de bedoeling kan zijn van de aanleg van het buurtpark.

Evaluatie van het bezwaar:

De aanvraag voor het gebouw en de logistieke zone is gelegen binnen de zone die in het RUP is bestemd voor LCI (deelgebied 4), bestemd voor infrastructuurwerken gekoppeld aan spoorwegexploitatie. Daarbij is in het RUP (zie grafisch plan) voorzien dat deze zone naast zone B uit artikel 1. Stationsomgeving Gent Sint-Pieters gelegen is, daarvan gescheiden door een geluidsscherm dat symbolisch aangeduid is op het grafisch plan.

Het Rijsenbergpark zal zoals voorzien in het RUP, aangelegd worden in het kader van het project Rinkkaai en situeert zich dus buiten de zone voor LCI. Voorliggende aanvraag brengt dit niet in het gedrang en de combinatie van beide activiteiten/voorzieningen is wel degelijk voorzien in het RUP. Ook ter hoogte van dit buurtpark is een geluidsscherm voorzien.

De voorziene opslag is beperkt zoals ook besproken onder het ASPECT VEILIGHEID van het advies over de milieuvergunning. Hierbij zijn opmerkingen en voorwaarden meegegeven over de wijze van opslag van de gasflessen. De springstoffen worden opgeslagen in een kluis. Hierbij wordt verwezen naar het advies van de brandweer en de daarin opgenomen voorwaarden waaraan de opslag moet voldoen om risico’s te beperken. In het MER wordt geoordeeld dat de voorziene opslaghoeveelheid in een afzonderlijke unit geen veiligheidsrisico met zich meebrengt.

De voorwaarden met betrekking tot de voorziene opslag maken deel uit van het onderdeel exploitatie van de vergunningsaanvraag.

De springstoffenvergunning zelf wordt aangevraagd bij FOD Economie die ook voorwaarden oplegt. De huidige inplanting voldoet volgens de aanvrager aan de afstandsvereisten van de technische nota.

 

Naast deze bezwaren werd ook een laattijdig bezwaar ingediend  met suggesties inzake uitvoering van diverse elementen met betrekking tot de duurzame accenten van het LCI kantoorgebouw: daktuinen met verticaal bos, zonneboiler, koperen gevels en ruiten kunnen vervangen worden door pv-panelen.

Behandeling bezwaar:  Dit wordt met deze beslissing meegegeven aan de vergunningverlenende overheid.

 

E. Gunstig advies met voorwaarden door NMBS is als bezwaar ingediend

De NMBS verleent een gunstig advies met voorwaarden voor bovengenoemd project voor zover aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:  

  • Er dient contact opgenomen te worden met de syndicus van de parking in functie van de vrijwaring evacuatiekernen. Contactgegevens syndicus: Ceusters Gent, Rijvisschestraat 124, 9052 Gent. Tel: 09/233.36.45. Contactpersoon: Leen Schoonheere.
  • Te verzekeren dat de ondergrondse parking steeds toegankelijk blijft voor voertuigen (zie 'zone voor torenkranen en opslag').

NMBS is niet verantwoordelijk voor schade en ongevallen op de werken die uitgevoerd zullen worden op zijn eigendom.

Behandeling: De NMBS werd als aanpalende eigenaar aangeschreven en maakte via het openbaar onderzoek haar advies kenbaar. We maken dit advies over aan de vergunningverlenende overheid.

Activiteit

AC34300 Behandelen van omgevingsvergunningen

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Keurt de samenvatting en behandeling van de bezwaarschriften voor de Omgevingsvergunningsaanvraag OMV_2020020396- voor het bouwen van het Logistiek Centrum Infrastructuur met dienstgebouw Infrabel Gent-Sint-Pieters met inbegrip van de aanleg van een nieuwe gemeenteweg, goed. 

Artikel 2

Maakt dit besluit over aan de vergunningverlenende overheid, met name de Vlaamse Overheid, om als addendum te worden toegevoegd bij het collegeadvies van 6 januari 2022.