Terug
Gepubliceerd op 11/02/2022

2022_CBS_01407 - OMV_2021143033 R - aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 10/02/2022 - 08:31 Virtueel - Via Microsoft Teams
Datum beslissing: do 10/02/2022 - 08:53
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter; Filip Watteeuw, schepen; Sofie Bracke, schepen; Elke Decruynaere, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Sami Souguir, schepen; Tine Heyse, schepen; Isabelle Heyndrickx, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Hafsa El-Bazioui, schepen; Rudy Coddens, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Luc Kupers, adjunct-algemeendirecteur

Secretaris

Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Voorzitter

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter
2022_CBS_01407 - OMV_2021143033 R - aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde - Vergunning 2022_CBS_01407 - OMV_2021143033 R - aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde - Vergunning

Motivering

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 56.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

Daikin Europe N.V. NV met als contactadres Zandvoordestraat 300, 8400 Oostende heeft een aanvraag (OMV_2021143033) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 4 oktober 2021.

 

De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg

• Adres: Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde

Kadastrale gegevens: afdeling 24 sectie B nr. 100G

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 20 oktober 2021.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Een advies van de provinciale omgevingsvergunningscommissie (POVC) werd uitgebracht op 21 januari 2022. Het advies wordt gevolgd door de gemeentelijke omgevingsambtenaar.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 3 februari 2022.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen

Het project heeft betrekking op het Technologiepark Ardoyen te Zwijnaarde van Universiteit Gent. Het wetenschapspark wordt in het noorden begrensd door de bufferstrook langs de E40, in het oosten liggen woonwijken van Zwijnaarde, in het zuiden vormt de Tramstraat de grens en in het westen door de Grote Steenweg Zuid (N60). Ten zuiden is het waardevol bos van Park de Ghellinck gelegen, ten westen van de N60 is het Parkbos volop in ontwikkeling en op 500 m in het noordwesten ligt het Maaltepark, één van de groengebieden langs de Ringvaart en R4.

Voor deze site werd in 2016 een inrichtings- en groenbeheersplan opgemaakt in opdracht van Universiteit Gent. Dit inrichtingsplan bouwt verder op het bestaande beeldkwaliteitsplan (kennisname door het college van burgemeester en schepenen in zitting van 18/12/2015) en zet een visie uit voor de inrichting en het beheer van de niet-bebouwde ruimte op de site.

Op 22 november 2021 werd het Ruimtelijk Uitvoeringsplan Technologiepark Ardoyen Tramstraat definitief vastgesteld door de Gemeenteraad (van kracht sinds 21 januari 2022). Met dit RUP worden de krijtlijnen vastgelegd om tot een integrale en duurzame ontwikkeling en ontsluiting van deze campus te komen.

 

De aanvraag heeft betrekking bouwveld S.04 dat zich noordelijk op de site bevindt, opgespannen tussen de campusweg en de bouwvrije strook ten zuiden van de E40. In de bestaande toestand doet dit terrein dienst als tijdelijke parking. Met de bouw van het centrale parkeergebouw op de site (omgevingsvergunning van 25/06/2020 met kenmerk OMV_2020001128) wordt deze tijdelijke parking verlaten. Aan de oost- en westzijde van dit bouwveld zijn bestaande grachten gelegen met een omranding met wilgenbomen.

 

Aan het dossier werd een ‘micro masterplan’ toegevoegd dat als inrichtingsplan voor het betreffende veld fungeert. In het micro masterplan worden een aftoetsing aan het RUP, het beeldkwaliteitsplan en inrichtings- en groenbeheersplan uitgevoerd. Het ‘micro masterplan’ gaat uit van de bouw van twee verschillende bedrijfsvolumes op dit bouwveld, met een architecturale afstemming tussen beiden.

 

Voorliggende aanvraag betreft de bouw van het rechtse bouwvolume binnen bouwveld S.04. Het bouwveld werd hiervoor opgedeeld in twee loten. De aanvraag heeft betrekking op het rechtse lot (lot 2), met een oppervlakte van 5780 m², aangevuld met lot 2a (644 m²) dat zich tussen de wegenis en lot 2 situeert.

 

Het bouwvolume bestaat uit twee delen, namelijk een kantoorvolume en een volume dat dienst zal doen als onderzoeksgebouw (labo-testgebouw). Het gebouw is 52,41 m breed met links hiervan een luifel van 7,77 m breed waaronder de toegang naar de ondergrondse parking wordt voorzien. Deze luifel loopt door over de hele voorgevel van het gebouw en doet dienst als inkomzone. De onderste twee bouwlagen van het kantoorgebouw springen terug ten opzichte van de bouwlijn om vanaf de derde bouwlaag tot en met de zesde bouwlaag opnieuw de voorbouwlijn aan te houden. Vanaf de zevende bouwlaag wordt de voorgevel opnieuw teruggetrokken in functie van een dakterras van 196,12 m² groot dat aansluit op een cafetaria. Ten noorden van de cafetaria wordt een kleiner terras voorzien (53,20 m²) dat wordt overluifeld.

 

Het kantoorvolume is 56 m hoog en wordt afgewerkt met een plat dak. Het achterste gedeelte van de 13de verdieping (14de bouwlaag) wordt verzonken uitgevoerd in functie van de technieken die op deze manier ingewerkt worden in de bouwenveloppe. De gevelstructuur wordt opgebouwd uit horizontale banden in wit-beige natuursteen die doorgetrokken worden in de gelijkvloerse luifel. De totale bouwdiepte van het integrale gebouw bedraagt 71,27 m.

Het onderzoeksgebouw links van het kantoorvolume krijgt een totale bouwhoogte van 35,85 m. Dit volume springt 7,80 m terug ten opzichte van de voorbouwlijn. Dit volume wordt uitgevoerd in beton.

 

Tegen de noord-, west- en oostgevel van het kantoorvolume wordt een logo aangebracht in blauwe verlichte belettering. Tegen de zuidgevel van het onderzoeksgebouw komt eveneens een dergelijk logo in blauwe verlichte belettering.

 

De ondergrondse parking bestaat uit twee niveaus en situeert zich integraal onder het gebouw, met uitzondering van een uitstulping aan de inritzijde links van het lot. In de eerste ondergrondse laag worden 66 parkeerplaatsen ingetekend en worden 160 fietsenstaanplaatsen voor werknemers ingericht. Verder situeren zich op deze laag diverse technische ruimtes en kleedruimte met douches voor personeel. De tweede ondergrondse bouwlaag wordt opgedeeld in 85 parkeerplaatsen en een aantal technische ruimtes. Dit brengt het totaal aantal parkeerplaatsen op 151.

 

De buitenaanleg voor het nieuwe kantoor- en onderzoeksgebouw voorziet aan de rechterzijde van het gebouw in een oprit voor leveringen die samen met de brandweerweg rond het gebouw loopt onder de vorm van twee smalle betonnen rijlopers met links achteraan het onderzoeksgebouw de leveringenzone. Hier wordt eveneens een afvalstraat voorzien en wordt een tijdelijke verharding aangelegd in afwachting van het toekomstige gebouw op lot 1 van dit bouwveld. Deze tijdelijke verharding sluit aan op de inrit naar de ondergrondse parking links vooraan het gebouw.

Links van de inrit voor leveringen wordt een afzonderlijke inrit voor fietsers gepland die rechts achteraan het gebouw toegang biedt tot de inpandige fietsenstallingen. Op het gelijkvloers worden aanvullend op de 160 ondergrondse nog 117 parkeerplaatsen voor werknemers ingericht en 15 plaatsen voor bezoekers. Er komt daarnaast ook een fietslift naar de ondergrondse parkeerlaag.

Voor het gebouw wordt groenaanleg voorzien, aangevuld met een brandweerweg van 4 m breed en een inkompad naar de kantoren.

In de groenzone ten oosten van de bouwzone wordt een wadi aangelegd in functie van de hemelwaterberekening. Er wordt eveneens een ontbossing van 150 m² uitgevoerd. Aan het dossier werd een boscompensatievoorstel toegevoegd.

 

De aanpassingen aan de buitenaanleg voor lot 1 op dit bouwveld maken geen deel uit van voorliggende aanvraag. De afstemming hiervan op de buitenaanleg rond lot 2 zal deel moeten uitmaken van een afzonderlijke omgevingsvergunningsaanvraag.

 

Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten

Daikin Europe NV is een fabrikant en leverancier van verwarming, ventilatie en airconditioning apparatuur.

Voorliggende project betreft een nieuw kantoorgebouw en testkamers.

Er wordt een onderscheid gemaakt in vier type testkamers:

-      Environmental testing room (ETR): In een dergelijk type kamer wordt nagegaan hoe het toestel reageert onder veranderende omstandigheden (vochtigheid, temperatuur, etc). Hierbij wordt de betrouwbaarheid nagegaan, de werking van de software, etc. Deze kamers worden ook gebruikt om de nieuwste ontwikkelingen omtrent ventilatie, verwarming en koeling te testen;

-      Air enthalpy room (AER): In een dergelijk type kamer worden de energieprestaties van een toestel opgemeten om te zien of deze toestellen volgens de geldende verwachtingen/vereisten presteren;

-      Sound proof room (SPR): In een dergelijk type kamer worden de geluidsemissies van de toestellen getest bij verschillend belastingen;

-      Electromagnetic Conductivity room (EMC): In deze kamers wordt de impact van straling op en van het toestel gemeten zodat de toestellen geen neveneffecten creëren bij werking.

In een eerste fase wenst het bedrijf 24 kamers te construeren: 2 EMC kamers, 4 AER kamers, 4 SPR kamers en 14 ETR kamers.

 

Er werd een MER-ontheffingsnota toegevoegd aan de aanvraag

 

Naast de exploitatie van het gebouw wordt ook al de bemaling voor de aanleg van het gebouw aangevraagd.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het tijdelijk lozen van bemalingswater met een totaal maximaal debiet van 18,6 m³/uur, 447,3 m³/dag en 34.615 m³/jaar op de regenwaterafvoer van het gescheiden rioleringsstelsel van het Technologie-park Zwijnaarde dat uitmondt in de Westelijke Ringvaart. | klasse 2 | Nieuw

18,6 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 2.800 liter. | klasse 3 | Nieuw

2800 liter

12.2.1°

transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 1.000 kVA (Totaal: 2.000 kVA) | klasse 3 | Nieuw

2000 kVA

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 2.500 kVA (Totaal: 5.000 kVA) | klasse 2 | Nieuw

5000 kVA

12.3.2°

Accumulatoren: vaste inrichting voor het laden van accumulatoren (meer dan 10 kW) - uitgezonderd laadpalen | Diverse batterijladers met een totaal vermogen van 18,7 kW | klasse 3 | Nieuw

18,7 kW

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | 1 laad- en losplaats voor bedrijfsvoertuigen en 3 stalplaatsen voor 2 forkliften en 1 kuismachine. | klasse 3 | Nieuw

4 aantal voertuigen

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) | Diverse koelinstallaties/airco's met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 3111,5 kW en 2 persluchtcompressoren met een drijfkracht van 2 x 11 kW. | klasse 2 | Nieuw

3133,5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijke waterinhoudsvermogen van 3.336 liter. | klasse 2 | Nieuw

3336 liter

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een totale opslagcapaciteit van 400 kg. | klasse 3 | Nieuw

400 kg

53.2.2°b)2°

bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, in een ander gebied dan de gebieden vermeld in punt 1°  met een netto opgepompt debiet van meer dan 30 000 m³ per jaar en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt meer dan vier meter onder maaiveld | Bronbemaling i.k.v. technische werken met een totaal debiet van 34.615 m³/jaar. | klasse 2 | Nieuw

34615 m³/jaar

 

Volgende bijstelling van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Artikel 4.2.5.1.1. § 1

Er wordt een bijstelling gevraagd tot het plaatsen van een meetgoot voor de tijdelijke bemaling.

Gezien de tijdelijkheid (ca 7 maanden) is plaatsen van meetgoot niet zinvol. Het geloosde debiet kan op een evenwaardige wijze worden bepaald door het plaatsen van een debietsmeter op de afvoerleiding die zowel een ogenblikkelijk als een getotaliseerd debiet registreert. Er wordt tevens een controle-inrichting bestaande uit een staalnamekraan voorzien.

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn bekend:

Omgevingsvergunningen

* Op 16/04/2020 werd een voorwaardelijke vergunning afgeleverd voor het uitvoeren van wegenis- en rioleringswerken voor het herinrichten van het technologiepark Ardoyen - fase 1 (OMV_2019107467).

 

3.       WIJZIGINGSLUS

Aanvankelijk was een ongunstig advies verleend door Brandweer Zone Centrum. In het Omgevingsvergunningendecreet is het principe van de wijzigingslus voorzien (art.30 van het omgevingsvergunningsdecreet), waarbij de bouwheer binnen de lopende procedure wijzigingen kan aanbrengen aan zijn aanvraag, vb. om tegemoet te komen aan externe adviezen. Gelet op het aanvankelijk ongunstige advies van Brandweer Zone Centrum en opmerkingen in adviezen van o.m. Farys en Mobiliteitsbedrijf, heeft de aanvrager na het openbaar onderzoek aanpassingen aan het dossier uitgevoerd. De gewijzigde projectinhoud omvat volgende elementen:

-      Aanpassen en toevoegen plannen;

-      Aanpassing mbt de watertoets;

-      Verantwoordingsnota als antwoord op de opmerkingen van de brandweer, dienst Milieu en Klimaat en dienst Mobiliteit;

-      Brandveiligheidsrapport;

-      Antwoord op het bezwaarschrift mbt mobiliteit.

De vergunningverlenende overheid (i.c. de stad Gent) staat deze wijzigingslus toe, en heeft opnieuw advies gevraagd aan de betrokken adviesinstanties. Aangezien de uitgevoerde aanpassingen geen essentiële wijziging van het project, noch van de ingediende plannen tot gevolg hebben, is geoordeeld dat de wijziging geen afbreuk doet aan de bescherming van de mens of het milieu of aan de goede ruimtelijke ordening. Aangezien die wijziging tegemoet komt aan bezwaren uit een advies, geeft deze wijziging bovendien geen aanleiding tot de organisatie van een tweede openbaar onderzoek. Bijgevolg is er ook geen termijnverlenging voor deze aanvraag tot omgevingsvergunning. 

 

 

BEOORDELING AANVRAAG

4.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

4.1.   Brandweerzone Centrum

 

Ongunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 4 november 2021 onder ref. 063352-005/DVDS/2021:
Besluit: NEGATIEF ADVIES, het project voldoet niet aan de minimale eisen inzake brandveiligheid.

 

Naar aanleiding van dit ongunstig advies werd een wijzigingsverzoek aangevraagd en toegestaan. Op basis van de aangepaste plannen verleende Brandweerzone Centrum voorwaardelijk gunstig advies op 30 december 2021 onder ref. 063352-009/DVDS/2021:
Besluit industriegebouw: GUNSTIG, mits te voldoen aan de hiervoor vermelde maatregelen en reglementeringen.

 

Besluit kantoorgedeelte + parkeergarage: GUNSTIG, mits te voldoen aan de hiervoor vermelde maatregelen en reglementeringen Bijzondere aandachtspunten :

- Één trappenhuis (noordelijke)komt uit in de overdekte fietsenstalling die is afgesloten met hekwerk. Het ander (zuidelijke) trappenhuis komt uit in het overdekt gedeelte. De afstand tot de openlucht is groter dan de hoogte van de overkapping.

- De plannen voldoen niet aan de voorschriften van deelcompartimentering. Er mag geen scheiding (scheidingswand El 120) zijn tussen de verschillende delen van een parkeerbouwlaag. Het parkeercompartiment is bijgevolg groter dan 5.000 m². Een RWA installatie moet worden geplaatst.

 

Besluit milieutechnische aspecten: GUNSTIG, mits te voldoen aan de hiervoor vermelde maatregelen en reglementeringen

 

Een advies van de ASTRID-veiligheidscommissie is vereist.

 

Het beëindigen van de werken moet gemeld worden aan de brandweer via de website www.brandweerzonecentrum.belpreventÍe teneinde een controlebezoek te kunnen laten plaatsvinden.

4.2.   Administratie wegen en verkeer

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Agentschap Wegen en Verkeer afgeleverd op 8 november 2021:
INLICHTINGEN EN BEPERKINGEN

Vastlegging ten opzichte van de grens van het autosnelwegdomein (A0101261 van 0.0 +20 tot 0.0 +74):

  1. De bouwlijn ligt op 30 m van de grens van het autosnelwegdomein volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2019 (betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen, eerste artikel).  Deze is gemeten loodrecht op de as van de autosnelweg.
  2. Bepaling van de grens van het domein van de autosnelweg: buitenkant langsgracht + 1 meter.
  3. Publiciteit: geen

 

Vastlegging ten opzichte van de grens van het autosnelwegdomein (A0100002 van 44.8 +10 tot 44.7 +50):

  1. De bouwlijn ligt op 30 m van de grens van het autosnelwegdomein volgens het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2019 (betreffende de vrije stroken langs autosnelwegen, eerste artikel).  Deze is gemeten loodrecht op de as van de autosnelweg.
  2. Bepaling van de grens van het domein van de autosnelweg: buitenkant langsgracht + 1 meter.
  3. Publiciteit: Geen

 

BESLUIT

Het Agentschap Wegen en Verkeer adviseert GUNSTIG betreffende de voorliggende aanvraag gezien de aanvraag in overeenstemming is met hoger vermelde inlichtingen en beperkingen.

Bij de uitvoering van de vergunning dient de aanvrager rekening te houden met de hierna omschreven aandachtspunten.

4.3.   Vlaamse Milieumaatschappij

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Vlaamse Milieumaatschappij – Advisering Afvalwater afgeleverd op 7 december 2021 onder ref. -:
De VMM-Advisering Afvalwater adviseert gunstig voor het lozen van 18,6 m³/uur –
447,3 m³/dag bedrijfsafvalwater met 2C stoffen, afkomstig van de bemaling, op de RWA-riolering gedurende 7 maanden, mits het naleven van de algemene voorwaarden voor lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater.

 

 Volgende bijzondere voorwaarde is van toepassing:

 - As: 50 µg/l

 

 De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

 

 Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwantiteit en kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

 

 Voor de bepaling van het debiet mag de meetmethode conform hoofdstuk 5.53. gebruikt worden. Een staalnamepunt voor het effluent dient voorzien te worden.

 

 Wekelijks dient een analyse uitgevoerd te worden op de vergunde parameters. Bij vastgestelde overschrijdingen dient een waterzuivering gebruikt te worden.

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Vlaamse Milieumaatschappij – Advisering Grondwater afgeleverd op 24 december 2021 met ref: OVL-02053-A:
In antwoord op uw adviesvraag vindt u hierbij het advies van de entiteit van VMM, bevoegd voor

grondwateradvisering, in het kader van het dossier met ref. 2021143033. 

 

Aanvraag

Er wordt een bemaling aangevraagd voor de bouw van een kantoorgebouw met twee ondergrondse verdiepingen (63x72 m) met liftputten. De bemaling wordt aangevraagd voor max. 34.615 m³/jaar en 447 m³/dag. De ingeschatte duurtijd van de bemaling bedraagt 7 maand. Het grondwaterpeil zal verlaagd worden tot een diepte van 0,47 mTAW (7,8 m-mv) voor de kelder en -1,23 mTAW (9,5 m-mv) voor de liftputten. Rubriek 53.2.2b2 (klasse 2) is van toepassing.

 

Hydrogeologie

Op de projectsite werden negen elektrische sonderingen en één boring van 25 m uitgevoerd. Het maaiveld bevindt zich op ca. 8,27 mTAW.

 

De ondergrond bestaat van boven naar beneden uit een quartaire laag (HCOV 0100), opgebouwd uit een zandlaag (L1) met lokaal meer kleihoudende zones tot ca. 13 m-mv (-4,85 mTAW) en een zandhoudende leemlaag (L2) met een dikte variërend tussen 1,1 en 3,5 m en gemiddeld voorkomen tot ca. 16 m-mv (-7,36 mTAW), een kleihoudende zandlaag (L3) van de Ieperiaan Aquifer (HCOV 0800) tot ca. 20 m-mv (-11,14 mTAW) en een kleilaag van de Ieperiaan Aquitard (HCOV 0900).

 

De uitgevoerde boring werd afgewerkt met een dubbele peilbuis. De filters van de peilbuizen bevinden zich tussen 7 en 9 m-mv voor de ondiepe peilbuis en van 17 tot 19 m-mv voor de diepe peilbuis. De ondiepe peilbuis is gefilterd in de zandlaag L1, de diepe peilbuis is gefilterd in de kleihoudende zandlaag L3. Op 16/03/2021 werd het grondwaterpeil opgemeten in deze peilbuizen (L1: 6,34 mTAW = ca. 1,9 m-mv en L2: 6,26 mTAW = ca. 2 m-mv).

 

Opbarstgevaar

Uit de bemalingsstudie blijkt dat er een risico bestaat op opbarsten van de bouwput bij zowel de bemaling voor het kelderniveau als voor de liftputten. Bijgevolg is een spanningsbemaling noodzakelijk die het grondwaterpeil in L3 met 0,5 meter verlaagt (tot +5,77 mTAW) tijdens de algemene uitgraving en met 1,1 meter verlaagt (tot +5,16 mTAW) tijdens het uitgraven van de liftputten.

 

Bemalingsconcept

Om de invloed op de omgeving te beperken zal de bemaling uitgevoerd worden binnen waterremmende wanden, aangezet minimaal 1 m in de leemlaag L2, of tot op een diepte van ca. -6,60 mTAW. De waterremmende wand dient een hydraulische weerstand van minstens 500 dagen te hebben.

 

De freatische bemaling zal uitgevoerd worden met vier dieptebronnen aangezet tussen ca. 9 en 12,5 m-mv in zandlaag L1 binnen de waterremmende wand. De spanningsbemaling in zandlaag L3 zal uitgevoerd worden met vier dieptebronnen aangezet tussen ca. 16 en 19 m-mv.

 

Invloed op de omgeving (zettingen, verdroging, verspreiding verontreiniging)

Gelet op de uitvoering van de bouwput binnen waterremmende wanden zal de invloed van de bemaling buiten de bouwput beperkt zijn.

 

Lozing

Er werd een grondwateranalyse op het water uit de peilbuizen uitgevoerd om na te gaan of er verontreinigingen aanwezig zullen zijn in het bemalingswater. Er werden verhoogde concentraties waargenomen voor arseen en minerale olie. Voor arseen wordt een verhoogde lozingsnorm aangevraagd.

 

Het bemalingswater zal geloosd worden in een RWA die uitmondt in de Ringvaart. Voor de lozing van het bemalingswater en de beoordeling van de lozingsnormen wordt verwezen naar het advies van de entiteit van de VMM bevoegd voor de advisering van afvalwater.

 

Advies

De entiteit van VMM bevoegd voor grondwateradvisering verleent gunstig advies voor de bemaling (rubriek 53.2.2b2) voor een project gelegen aan het Technologiepark-Zwijnaarde 126 te Gent voor een termijn van 1 jaar en een debiet van max. 447 m³/dag en 34.615 m³/jaar, opgesplitst als volgt:

 

- Freatische bemaling:

o Debiet: max. 32.559 m³/jaar en 437 m³/d

o Filterstelling: 9-12,5 m-mv

o Watervoerende laag: de Quartaire Aquifersystemen (HCOV 0100)

o Grondwaterlichaam: CVS_0160_GWL_1

o Verlaging: tot max. -1,23 mTAW (9,5 m-mv)

 

- Spanningsbemaling:

o Debiet: max. 2.056 m³/j en 10 m³/d

o Filterstelling: 16-19 m-mv

o Watervoerende laag: de Ieperiaan Aquifer (HCOV 0800)

o Grondwaterlichaam: CVS_0800_GWL_1

o Verlaging: tot max. 5,16 mTAW (3,1 m-mv)

 

en dit mits naleving van de algemene en de sectorale voorwaarden van titel II van het VLAREM en onderstaande bijzondere voorwaarden:

- De start en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan VMM via het mailadres

grondwater.ovl@vmm.be met vermelding van het projectnummer (OMV_2021143033).  

 

- De bouwput wordt uitgevoerd met een waterremmende wand met aanzetdiepte op minstens ca. 15 m onder maaiveld (-6,6 mTAW). Een weerstand van min. 500 dagen moet gegarandeerd worden.

 

- De stand van elke debietmeter wordt minstens volgens volgende frequentie genoteerd in een logboek dat steeds ter inzage ligt op de werf:

o In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal.

o Voor de overige periode: maandelijks.

 

- Het grondwaterpeil dient opgevolgd te worden in minstens één peilbuis t.h.v de bouwput met minstens één filter in elke laag waaruit gepompt wordt. Het grondwaterpeil wordt opgemeten en genoteerd in een logboek dat ter inzage ligt op de werf, minstens met volgens volgende frequentie:

o Voor opstart van de bemaling: éénmaal.

o In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal.

o Voor de overige periode: maandelijks.

4.4.   FARYS

 

Voorwaardelijk gunstig advies van FARYS afgeleverd op 8 december 2021 onder ref. AD-21-1379.

 

Naar aanleiding van de wijzigingslus werd een nieuw advies gevraagd aan FARYS.

Voorwaardelijk gunstig advies van FARYS afgeleverd op 11 januari 2022 onder ref. AD-21-1379 – 2de advies:
Drinkwater

Het nieuwe Labo-testgebouw met kantoren van Daikin Europe NV (DENV) is gelegen op een terrein in het technologiepark Ardoyen van de universiteit Gent (UGent).

Het perceel grenst aan een goed uitgeruste campusweg (privaat) voorzien van de nodige nutsleidingen. Verder hebben we geen bezwaren en/of opmerkingen voor het bouwen en exploiteren van dit labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg.

 

Ons advies is gunstig.

 

Riolering

Algemeen

Op basis van het definitief zoneringsplan van de stad Gent ligt het geplande bouwwerk in het centraal gebied.

In de zone van de geplande bouwwerken ligt een gescheiden rioleringsstelsel waarop kan worden aangesloten. De zone ligt binnen een Technologie Park Ardoyen van de universiteit Gent. De universiteit Gent staat in voor onderhoud van dit gescheiden stelsel.

 

Toepasselijke reglementen, documenten en richtlijnen

Alle werkzaamheden dienen in overeenstemming te zijn met het ‘Bijzonder waterverkoopreglement deel huisaansluitingen’. Dit reglement kan u terugvinden op onze website www.farys.be/bijzonder-waterverkoopreglement-huisaansluitingen. Op eenvoudig verzoek kan u hiervan ook een schriftelijke versie verkrijgen.

 

De richtlijnen uit de gewestelijke stedenbouwkundige verordening van 5 juli 2013, in werking vanaf 1 januari 2014, inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, dienen strikt gevolgd te worden. Tevens dient voldaan te zijn aan het Algemeen Bouwreglement van de stad Gent.

 

De stad Gent legt in kader van stedenbouwkundige vergunningen het gebruik van septische putten op bij alle woningen. De inhoud van de tank bedraagt 300 l per IE(inwoner equivalent) (vanaf 11 IE bedraagt dit 225 l/IE) met een minimum van 2.000 liter, waarbij enkel zwart afvalwater (van toiletten) moet aangesloten worden op de septische put.

 

Om lokale problemen van wateroverlast te vermijden adviseren wij volgende richtlijnen na te leven:

• het niveau van de gelijkvloerse verdieping dient minstens 20 cm boven maaiveld aangelegd te worden;

• overlopen van regenwaterputten, infiltratie en-of bufferbekken dienen beveiligd te worden tegen terugslag;

• kelders dienen waterdicht uitgevoerd te worden;

• inritten naar ondergrondse garages worden bij voorkeur voorzien van een drempel om deze te beveiligen tegen instromend water;

• de aanleg van verharding dient zoveel mogelijk beperkt te worden.

 

Specifieke bemerkingen op het dossier – 2de adviesvraag

De aanvraag betreft een nieuw Labo-testgebouw met kantoren voor Daikin Europe NV (DENV). Het project omvat 2 ondergrondse verdiepingen en 13 bovengrondse verdiepingen. Uitvoeren van een buitenaanleg met verhardingen en aanplantingen.

 

Nieuwbouw: Aansluiting op het bestaand rioleringsstelsel in de straat Technologiepark Zwijnaarde dient te worden afgestemd met de universiteit Gent.

Afval- en regenwater dienen gescheiden tot aan de rooilijn gebracht te worden.

 

Er wordt een vergunning gevraagd voor een aanzienlijke hoeveelheid huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater. Indien deze lozingsnormen een invloed hebben op de werking van het private pompstation binnen de site Technologiepark Ardoyen waardoor het debiet van het pompstation zou gewijzigd worden, dan dient dit gemeld te worden aan FARYS. De werking van dit pompstation heeft immers invloed op de riolering in de Rooskenstraat.

 

Inzake de voorziene infiltratievoorziening is niet volledig duidelijk of deze binnen het bouwperceel van DAIKIN gelegen is en aldus voldaan is aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Er wordt immers volgende gemeld in de nota “Het regenwater dat opgevangen wordt op de daken van het gebouw wordt afgevoerd en; deels opgevangen en gestockeerd voor herbruik (200m³ hiervoor voorzien); deels vertraagd afgevoerd via de groendaken (in hoofdzaak de luifel); deels afgevoerd naar de wadi waar het regenwater kan infiltreren naast het terrein van Daikin in de groenzone die deel uitmaakt van de Technologiecampus Ardoyen.

 

Volgens de verordening moeten volgende gegevens van de infiltratievoorziening vermeld worden op de plannen: de exacte plaatsing, omvang en diepte van de infiltratievoorziening, het buffervolume van de infiltratievoorziening in liter, de totale aangesloten horizontale dakoppervlakte, de verharde grondoppervlakte in vierkante meter en de locatie en niveau van de overloop. Voor de bepaling van het infiltratieoppervlak van de infiltratievoorziening wordt verwezen naar de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (zie http://www.integraalwaterbeleid.be/nl/publicaties/afbeeldingen/Technisch%20document%20GSV%202014%20versie%202.pdf/view). Enkele gegevens, zoals bovenstaand opgesomd, zijn niet vermeld op de plannen. Ook is niet duidelijk naar waar de overloop van de infiltratievoorziening zal worden aangesloten? De gracht waarop wordt aangesloten is immers niet aanwezig op het inplantingsplan.

 

De oppervlakte die in mindering gebracht kan worden voor het plaatsen van een grotere hemelwaterput dient bepaald te worden via tabel B het technisch achtergronddocument bij de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater, of via http://www.integraalwaterbeleid.be/watertoetsinstrument/ - rekentool hemelwaterhergebruik.

 

Wat betreft de infiltratievoorziening adviseren we evenwel om te opteren voor een oppervlakkige infiltratievoorziening. Ervaring heeft aangetoond dat deze efficiënter, onderhoudsvriendelijker, beter te controleren en in vele gevallen goedkoper zijn. De aanvrager voorziet in een open infiltratievoorziening. Deze dient te allen tijde behouden te blijven en kan niet wijzigingen naar een ondergronds systeem tijdens de bouwwerken.

 

Bij het plannen van de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met de locatie van de infiltratievoorzieningen en deze dient vrij gehouden te worden van zware belastingen om bodemverdichting te vermijden en om de infiltratiecapaciteit van dit deel van het terrein maximaal te vrijwaren tijdens de werken.

 

FARYS raadt steeds aan om een controle van de grondwatertafel uit te voeren zodat geen grondwater wordt afgevoerd van de infiltratievoorziening naar de openbare riolering. Deze zijn niet toegevoegd aan het dossier. Gezien de diepte van de infiltratievoorziening, zijnde 1m, is ook niet duidelijk of dit wel mogelijk is zonder grondwatertafelmetingen.

 

FARYS raadt steeds aan infiltratieproeven uit te voeren zodat duidelijk is of infiltratie wel mogelijk is en dus een infiltratievoorziening moet worden voorzien. Indien uit metingen blijkt dat infiltratie niet mogelijk is moet er een bufferbekken met vertraagde lozing worden voorzien. Ook deze metingen zijn niet toegevoegd aan het dossier.

 

Een jaarlijkse reiniging van de infiltratievoorziening is noodzakelijk om een goede werking te behouden. Dimensionering septische puten ontbreekt. Hoeveel IE’s worden voorzien per woning? Gelieve dit te verduidelijken. Gelieve de grootte van de septische put op de plannen te vermelden.

 

Besluit

Op 8.12.2021 werd een eerste advies verleend. Bij nieuwe adviesvraag dd 21.12.2021 is geen enkele opmerking verwerkt waardoor huidig advies behouden blijft. Het ontwerp wordt als volgt geadviseerd: “gunstig met voorwaarden”.

 

Volgende voorwaarden worden opgelegd;

• Graag verduidelijking dimensionering septische put.

• De infiltratievoorzieningen zijn oppervlakkig voorzien en dienen ten allen tijden behouden te blijven.

• Gelieve de ontbrekende gegevens inzake de infiltratievoorziening te vervolledigen op de plannen.

• Bijkomend dient een werfinplantingsplan te worden opgemaakt waarbij duidelijk is dat de plaats van de infiltratievoorziening zal worden gevrijwaard van verdichting (stockage van gronden/materialen is verboden).

• Binnen de campus technologiepark Ardoyen is een privaat pompstation voorzien welke aansluit op de riolering in de Rooskenstraat. Indien tgv van dit gebouw met bijhorende exploitatie, dit een invloed zou hebben op de werking van het pompstation, dient FARYS hiervan op de hoogte gebracht te worden. FARYS kan niet garanderen of een verhoging van pompdebieten kan worden toegestaan tgv afwaartse randvoorwaarden.

4.5.   FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Civiele Veiligheid (ASTRID)

 

Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies van FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Civiele Veiligheid afgeleverd op 9 november 2021 onder ref. 5885:
Noodzaak van een ASTRID-indoorradiodekking : JA. De beslissing is: voorwaardelijk gunstig.

Motivering

Gezien de grondoppervlakte groter dan 2500 m2 en gezien de mogelijke gelijktijdige publieke toegankelijkheid voor meer dan 150 personen, heeft de commissie besloten dat er indoordekking dient aanwezig te zijn.

4.6.   Directie Vliegvelden en Vliegverkeersregels Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Directie Vliegvelden en Vliegverkeersregels Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer afgeleverd op 22 november 2021 onder ref. OBST/2021/410:
Directoraat-generaal Luchtvaart, in akkoord met Defensie, heeft geen bezwaar tegen het in onderwerp vermelde project, op voorwaarde dat de opgegeven bouwhoogtes, vermeld op voorgelegde plannen, niet worden overschreden.

 

Er moet geen bebakening voorzien worden.

 

De bouwheer dient Defensie tenminste 30 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk op de hoogte te brengen van de begindatum, de juiste positie in Lambert 72-coördinaten, de totale hoogte van het obstakel. De referentie van Defensie vindt u onderaan terug. Bovendien wordt er gevraagd aan de verantwoordelijke voor het project tijdig de relevante informatie (plaatsen van kranen,...) via e-mail op te sturen aan comopsair-a3-air-ctrl-ops@mil.be.

 

De volledige inhoud van het advies dient meegedeeld te worden aan de bouwheer.

 

De aanvrager dient het Directoraat-generaal Luchtvaart schriftelijk op de hoogte te brengen van het gevolg dat aan zijn advies werd gegeven.

 

Wij vestigen er uw aandacht op dat, als de werken zouden uitgevoerd worden zonder rekening te houden met bovenvermelde opmerkingen, het Directoraat-generaal Luchtvaart in dat geval alle verantwoordelijkheid afwijst in geval van eventuele problemen in verband met luchtvaartgebonden activiteiten.

 

Het Directoraat-generaal Luchtvaart houdt zich tevens het recht voor om deze voorschriften te laten naleven met alle juridische middelen die hem ter beschikking staan.

4.7.   Departement Mobiliteit en Openbare Werken

 

Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies van Departement Mobiliteit en Openbare Werken afgeleverd op 1 december 2021:
Het voorliggend verzoek tot m.e.r.-ontheffing wordt opgesteld daar Daikin een nieuw kantoorgebouw en testkamers wenst op te richten op het Technologiepark-Zwijnaarde te Gent. Daikin streeft ernaar om een toonaangevende rol te spelen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling van de wereldwijde verwarmingsmarkt door innovatieve producten te maken volgens de nieuwste milieunormen. Met in totaal 12202 m2 bvo kantoorruimte en 11965 m2 bvo test & laboruimte wordt de ondergrens van 3000 m2 (voor kantoren zonder loket) overschreden, waardoor er voor dit dossier een MOBER is opgemaakt.

Het Departement MOW – Beleid heeft volgende opmerkingen:

De ontheffingsnota is sinds de adviesvraag d.d. 20/07/2021 grondig aangepast.

1. De gevraagde verduidelijkingen van DMOW over de bruto vloeroppervlakte en het aantal parkeerplaatsen zijn in de nota toegevoegd.

2. In de ontheffingsnota is een hoofdstuk toegevoegd “Bereikbaarheidsprofiel”. Bij het effect op mobiliteit zijn de bereikbaarheidseffecten beschreven. Uit de analyses blijkt dat in de worst case de afwikkeling moeizamer zal zijn dan de huidige situatie, maar dat de situatie stabiel blijft.

3. De parkeerbalans voor fiets en wagens is uitgerekend en vermeld in de ontheffingsnota. Uit de nota blijkt dat Daikin een bijkomend parkeeraanbod voorziet van 170 plaatsen. De voorziene extra 170 parkeerplaatsen is de maximumgrens voor de eerste fase van het RUP 148 Technologiestraat (Ardoyen – Tramstraat). De limiet van de 170 plaatsen wordt niet overschreden, omdat de reeds vergunnende parkeertoren op het Technologiepark niet zorgt voor een extra parkeeraanbod. Bij realisatie van de parkeertoren wordt het straatparkeren verboden en compenseert de parkeertoren het verlies van straatparkeerplaatsen.

4. In het advies van DMOW (d.d. 27/07/2021) werd het verschil tussen het parkeeraanbod (170 plaatsen) en de parkeervraag (220 plaatsen) aangekaart. Wanneer er 170 parkeerplaatsen voorzien worden voor Daikin, moet er een modal split van 46% autogebruik afgedwongen worden. Dit leek voor DMOW moeilijk haalbaar. In de Mober en in de ontheffingsaanvraag rekenen ze op een parkeervraag van 220 ppl. op korte termijn. Dit komt overeen met een modal split van 61% autogebruik. Deze modal split is wel haalbaar. Het parkeertekort van 50 plaatsen kan opgevangen worden in de centrale parkeertoren op het Technologiepark. Er kan echter enkel beroep gedaan worden op de plaatsen in de parkeertoren indien de parkeervraag van de andere gebruikers op de site zou dalen.

  > DMOW kan deze redenering volgen mits een grondig handhavingsbeleid op de gehele site.

5. Door het verduurzamen van de modal split zijn milderende maatregelen nodig. Deze maatregelen zijn toegevoegd in de ontheffingsnota.

 

Conclusie:

Het Departement MOW kan akkoord gaan met voorliggende nota.

Op basis van RUP 48 Technologiestraat (fase 1) zijn de 170 extra parkeerplaatsen door Daikin opgesoupeerd. Dit wil zeggen dat er vanaf heden geen aanvragen met bijkomende parkeeraanbod op de site Ardoyen toegekend kunnen worden, zolang de ontsluitingsinfrastructuur van het Technologiepark Ardoyen niet wordt aangepast.

4.8.   Provincie Oost-Vlaanderen – Directie Leefmilieu

 

Voorwaardelijk gunstig advies van Provincie Oost-Vlaanderen - Directie Leefmilieu afgeleverd op 7 december 2021 onder ref. M02\Dossiers\37460\AS:
Het project is gelegen in het stroomgebied van de waterloop nr. O706 (2de categorie) en bevindt zich volgens de overstromingskaarten niet in mogelijk overstromingsgevoelig gebied, effectief overstromingsgevoelig gebied, recent overstroomd gebied en risicozone voor overstroming.

 

Motivering

 

In de verantwoordingsnota en in het hemelwaterformulier wordt omschreven dat een groendak zal worden aangelegd met een oppervlakte 641 m2. Bij het nameten op de plannen komen wij echter tot een oppervlakte van slechts 440 m2. De helft van deze oppervlakte (220 m2) mag in mindering worden gebracht voor de dimensionering van de infiltratievoorziening.

 

In het hemelwaterformulier wordt genoteerd dat 1568 m2 verharding wordt aangesloten op de voorziening. Op het plan ‘verhardingen’ wordt er in totaal van 3528 m2 verhardingen ingetekend. Er wordt niet gespecifieerd welke verhardingen ontworpen zijn om af te wateren naar de randzone, welke verhardingen als waterdoorlatend bedoeld worden en welke verhardingen aangesloten zijn op de voorziening. Ook op de rioleringsplannen wordt dit niet aangeduid. Enkel indien voldaan is aan de voorwaarden inzake verharde en waterdoorlatende grondoppervlakken vermeld bij de conclusie, moet bij het dimensioneren van de voorziening met deze oppervlakken geen rekening worden gehouden. Uit het plan ‘sneden en typeprofiel’ blijkt echter dat niet voldaan wordt aan deze voorwaarden. De hele te verharden oppervlakte moet dus worden meegerekend bij de dimensionering van de infiltratievoorziening.

 

Er wordt 3789 m2 nieuwe dakoppervlakte aangelegd. De aanvrager toont een structureel en jaarrond hergebruik van 3667 l/dag aan voor een dakoppervlakte van 3148 m2 aangesloten op een opslagruimte voor hemelwater van 200000 l. Indien voldaan wordt aan de voorwaarden inzake de vermindering van de dakoppervlakte door hergebruik zoals vermeld in de conclusie, mag volgens de rekentool hemelwaterhergebruik (www.watertoets.be) een oppervlakte van 2202 m2 in mindering worden gebracht.

 

Om de negatieve effecten van de voorziene verhardingen op het watersysteem voldoende te milderen, is het nodig een voorziening te bouwen waarvan de dimensionering rekening houdt met de locatiespecifieke kenmerken van het gebied. Deze zijn de infiltratiecapaciteit van de bodem (S - lemig zand), de grondwaterstand (c), de overstromingsgevoeligheid van het stroomgebied (kritische overstromingen) en de totale omvang van de in rekening te brengen verhardingen van 4894 m2.

 

De locatiespecifieke voorwaarden inzake milderen van het effect van verhardingen worden vermeld bij de conclusie. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op het provinciaal beleidskader wateradviezen dat u terugvindt op www.oost-vlaanderen.be/water. De maatregelen voorzien in het project voldoen daar niet aan. De voorziening moet aangepast worden.

 

Conclusie

Gunstig advies wordt verleend aan de aanvraag van nv Daikin Europe, dhr. Peter Van Den Broecke met als voorwerp 'het bouwen van een kantoor en een labogebouw' op een gelegen te Gent, Technologiepark-Zwijnaarde onder de hierna vermelde voorwaarden. Indien u akkoord gaat met deze voorwaarden, vragen wij u deze over te nemen in het besluitgedeelte van de vergunning, en niet enkel te verwijzen naar ons advies.

 

Voorwaarden inzake verharde grondoppervlakken die afwateren naar een randzone:

* Enkel in het geval voldaan is aan de volgende voorwaarden, moeten de verharde grondoppervlakken niet in rekening worden gebracht bij de dimensionering van de voorziening:

* de oppervlakken stromen af naar een gras- of groenstrook met een oppervlakte die minstens 25 % van de verharde oppervlakte bedraagt, uitgewerkt met een maaiveldverlaging van 30 cm (wadi);

* er worden geen boordstenen en geen afvoerkolken aangelegd.

 

Voorwaarden inzake verharde grondoppervlakken in waterdoorlatende materialen:

* Enkel in het geval voldaan is aan de volgende voorwaarden, moeten de voorziene verharde grondoppervlakken niet in rekening worden gebracht bij de dimensionering van de voorziening:

* de waterdoorlatende materialen worden geplaatst op een waterdoorlatende funderingslaag;

* er worden geen afvoerkolken aangelegd ;

* de verharding wordt niet in helling aangelegd (minder dan 0,5 %) en er worden opstaande randen voorzien die het water op de waterdoorlatende verharding houden tenzij de waterdoorlatende verharding kan afwateren naar een gras- of groenstrook met een oppervlakte die minstens 15 % van de verharde oppervlakte bedraagt.

 

Voorwaarden inzake vermindering in rekening te brengen dakoppervlakte door hergebruik:

* De vermindering van de in rekening te brengen dakoppervlakte is enkel van toepassing bij een hergebruik dat jaarrond is en structureel. Van zodra aan deze voorwaarden niet meer is voldaan, dienen de nodige stappen te worden gezet om de infiltratievoorziening aan te passen rekening houdend met het verminderde hergebruik en de dimensioneringsvoorschriften die nodig zijn om het effect van verharding op het watersysteem voldoende te milderen.

 

Voorwaarden inzake milderen van het effect van verhardingen:

* De infiltratievoorziening wordt gedimensioneerd voor 4894 m2 verhardingen met een infiltratie-oppervlakte van minstens 400 m2/ha en een buffervolume van minstens 330 m3/ha. Voor dit project betekent dit dat de voorziening zo moet worden aangepast dat er een oppervlakte van minstens 195 m2 en een volume van minstens 161 m3 beschikbaar is. Deze capaciteit dient te allen tijde behouden en gegarandeerd te blijven. Hiervoor dient de voorziening minstens om de twee jaar, of indien de omstandigheden dat vereisen frequenter, te worden onderhouden.

* De bodem van de voorziening mag niet dieper dan 70 cm onder maaiveld gerealiseerd worden.

 

Opmerking: De voorwaarden opgenomen in dit advies worden besproken in de Waterparagraaf (zie verder) en zullen niet afzonderlijk worden toegevoegd als bijzondere voorwaarden bij de omgevingsvergunning.

4.9.   Fluvius System Operator

 

Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig advies van Fluvius System Operator afgeleverd op 22 november 2021 onder ref. 360948:
Op basis van de gegevens waarover we vandaag beschikken, hebben wij de impact op onze netten ingeschat. Wij geven u alvast deze informatie mee:

De aanvrager van het project dient tijdig contact op te nemen met Fluvius voor het aanvragen van zijn aansluitingen. Dit kan via de website www.fluvius.be of rechtstreeks op het nummer 078/35.35.34, met de vermelding van kenmerk 360948.

 

Afhankelijk van de gevraagde vermogens elektriciteit en gas kunnen er aanpassingen noodzakelijk zijn aan de netten, al dan niet aanwezig en dit met de standaard doorlooptermijnen van 120 werkdagen.

 

Na aanvraag van de aansluitingen gas en/of elektriciteit kan een studie gebeuren voor de eventuele noodzakelijke uitbreidingen.

 

Op onze website vindt u de gedetailleerde reglementen voor elektriciteit en aardgas in verkavelingen, appartementen en wooncomplexen. U dient hieraan te voldoen.

 

Hou voor de timing van uw project rekening met het feit dat wij – na ontvangst van de verkavelings-vergunning – maximum 30 werkdagen nodig hebben om onze offerte op te maken. Bovendien loopt er ook nog een termijn tussen de ontvangst van uw akkoord op de offerte en de effectieve uitvoering van de werken – onder voorbehoud van de tijd nodig om eventuele vergunningen, wegenistoelatingen, ... te verkrijgen.

 

Bovenstaande informatie geven we mee onder voorbehoud van latere wijzigingen.

Wij raden u aan om ons zo spoedig mogelijk te contacteren. Vermeld daarbij altijd duidelijk het referentienummer van uw project: 360948. Zo kunnen we uw dossier vlot opvolgen. Samen zullen we uw project verder bespreken.

4.10.         Vlaamse Waterweg nv


Geen advies van De Vlaamse Waterweg nv afgeleverd:
De Vlaamse Waterweg nv – afdeling Regio West verleent aan vermelde omgevingsvergunningsaanvraag voor het oprichten en exploiteren van een labo en een kantoorgebouw en het aanleggen van de omgeving in Technologiepark-Zwijnaarde 126 (kadaster: afdeling 24 sectie B nummer 100G) te Zwijnaarde (Gent) geen advies wegens onbevoegd.

Het projectgebied ligt op meer dan 130m van de Ringvaart Om Gent. Het projectgebied stroomt af naar een waterloop van 2de categorie, beheerd door de Provincie Oost-Vlaanderen (vergunningverlenende overheid). Het projectgebied ligt conform de watertoetskaart bovendien niet in overstromingsgevoelig gebied noch in recent overstroomd gebied. Bijgevolg is De Vlaamse Waterweg nv niet bevoegd voor het geven van advies. Gelieve zelf advies op te maken i.k.v. watertoets.

4.11.         Provinciale Omgevingsvergunningscommissie


Voorwaardelijk gunstig advies van Provinciale Omgevingsvergunningscommissie van 21 januari 2022. Uittreksel uit dit advies dat integraal kan worden geraadpleegd op het Omgevingsloket:

Overwegende het volgende:

-      het bedrijf ligt volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone in zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut; de inrichting ligt tevens in een recenter BPA Hutsepot 2 en het gemeentelijk RUP 148 Technologiepark (Ardoyen/Tramstraat), bestemming waarmee de inrichting planologisch verenigbaar is; 

-      tijdens het openbaar onderzoek werd één bezwaarschrift ingediend; de argumenten handelen in hoofdzaak over mobiliteit en luchtemissies; de bezwaren zijn ongegrond of worden ondervangen door de voorgestelde milieuvergunningsvoorwaarden;

-      na het wijzigingsverzoek van 4 november 2021 werd een gunstig advies van de brandweer bekomen, mits het in acht nemen van de voorwaarden en aandachtspunten;

-      de gevraagde bijstellingen ivm de meetgoot en de lozingsnorm voor arseen van 50 µg/l kunnen worden toegestaan;

-      mits het naleven van de opgelegde milieuvoorwaarden is de kans op hinder voor mens en milieu tot een minimum beperkt

 

adviseert de POVC GUNSTIG op 18 januari 2022.

 

De omgevingsvergunning kan worden toegestaan voor de volgende termijnen:

-      de IIOA voor een termijn van onbepaalde duur, behoudens voor wat betreft de bemaling (rubrieken 3.4.2° en 53.2.2°b)2°) waarvoor een termijn van 1 jaar geldt, na melding van de opstart van de bemalingsactiviteiten,

-      de SH voor een termijn van onbepaalde duur,

vanaf de datum van het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen en onder de gecoördineerde omgevingsvergunningsvoorwaarden.

4.12.         Agentschap Natuur en Bos


Voorwaardelijk gunstig advies van Agentschap Natuur en Bos afgeleverd op 4 februari 2022 met kenmerk 22-202283:

Beschermingsstatus

Niet in VEN, habitatrichtlijn- of vogelrichtlijngebied gelegen.

 

Rechtsgrond

Dit advies wordt verstrekt door het Agentschap voor Natuur en Bos op basis van de volgende wetgeving:

Artikel 35. § 4 Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Artikel 90 bis Bosdecreet van 13 juni 1990 (in het kader van ontbossing)

 

Bespreking aanvraag

Voorliggende aanvraag betreft de bouw van een kantoor en labogebouw met ondergrondse parking. De werken zijn conform de bestemming (RUP). De wadi gesitueerd in de groenzone is van voldoende beperkte omvang, zodat het kan geïntegreerd worden in de beoogde bosomgeving. Een kleine ontbossing (spontane verbossing) dient ook te gebeuren en het nodige boscompensatieformulier is toegevoegd aan het dossier. De ondergrondse volumes worden gerealiseerd binnen een hydraulisch afgesloten bouwput.

Hierdoor wordt volgens de bemalingsnota geen effect verwacht op de aanwezige biologisch waardevolle (bos)vegetaties binnen de campus. Om dit te verifiëren dient de grondwaterstand van de boszones (zowel links als rechts van het project) gemonitord te worden. Tijdens de verwachte 7 maanden lopende bemalingsactiviteiten, kan bij aanhoudende droogte van 10 dagen zonder regen, het bos binnen de invloedsfeer bevloeid worden. Er wordt aangeraden dat het bemalingswater via een aanwezige regenwaterafvoer in de Ringvaart te lozen. Een deel van het lozingswater kan in de droge periode (maart tot oktober) deels geretourneerd worden in de aanwezige boszones. In functie van de te monitoren grondwaterpeilen in de boszones  (significante daling of niet), dient bemalingswater gestuurd te worden naar de boszones (uiteraard indien de waterkwaliteit na analyse voldoet). De wadi dient uitgegraven te worden voorafgaand de bouwput, zodat ook naar deze laagte water kan gestuurd worden om opnieuw te infiltreren.

 

Bespreking boscompensatievoorstel

Uit het dossier kan afgeleid worden dat de aanvrager een oppervlakte van 150m² wenst te ontbossen. Het betreft spontane opslag van zwarte els jonger dan 22 jaar. Er is bijgevolg een vrijstelling op de boscompensatie.

 

Conclusie

Op basis van bovenstaande uiteenzetting verleent het Agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies mits naleving van de volgende voorwaarde(n):  

-       de grondwaterstand van de boszones (zowel links als rechts van het project) dient gemonitord te worden. In functie van de grondwaterpeilen (significante daling of niet) in de boszones, dient bemalingswater gestuurd te worden naar de boszones (uiteraard indien de waterkwaliteit te voldoen, wat moet worden geanalyseerd).  

-      bij aanhoudende droogte van 10 dagen zonder regen in de droge periode (maart tot oktober) dient het bos binnen de invloedsfeer bevloeid te worden. Een deel van het lozingswater kan zeker deels geretourneerd worden in de aanwezige boszones. 

-      de wadi wordt uitgegraven voorafgaand de bouwput, zodat ook naar deze laagte water kan gestuurd worden om opnieuw te infiltreren. 

 

De vergunningverlenende overheid kan de vergunning slechts toekennen mits naleving van deze voorwaarden.

 

Onderstaande direct werkende normen zijn hierbij van toepassing:

Artikel 16 Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21.10.1997

 

Volgende voorwaarden moeten letterlijk in de vergunningsvoorwaarden van de omgevingsvergunning worden opgenomen:

  • De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk:  22-202283.
  • De te ontbossen oppervlakte bedraagt 150m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet. 

 

Om een correcte inning van de bosbehoudsbijdrage en/of controle op de compenserende bebossingen mogelijk te maken, is het verplicht dat de vergunningverlenende instantie zo snel mogelijk een afschrift van haar beslissing bezorgt aan het Agentschap voor Natuur en Bos. De vergunningverlenende instantie dient ons ook op de hoogte te brengen van een eventuele (opschortende) beroepsprocedure tegen de genomen beslissing.

 

Alle van nature in het wild levende vogelsoorten en vleermuizen zijn beschermd in het Vlaamse Gewest op basis van het Soortenbesluit van 15 mei 2009. De bescherming heeft onder meer betrekking op de nesten van de vogels en de rustplaatsen van de vleermuizen (artikel 14 van het Soortenbesluit). Bij het uitvoeren van werken in de periode 1 maart tot 1 juli moet men er zich - vóór men overgaat tot de uitvoering van de werken - van vergewissen dat geen nesten van beschermde vogelsoorten beschadigd, weggenomen of vernield worden. Bij het werken aan (oude) constructies of het kappen van bomen dient men na te gaan vóór de werken beginnen of vleermuizen aanwezig zijn. Als nesten of rustplaatsen in het gedrang komen, dient u contact op te nemen met het Agentschap voor Natuur en Bos via het algemeen e-mail adres van AVES.

 

5.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

5.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.

Het project ligt in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'TECHNOLOGIEPARK ARDOYEN - TRAMSTRAAT' (Definitief vastgesteld door de Gemeenteraad op 22 november 2021, van kracht sinds 21 januari 2022). De locatie is volgens dit RUP gelegen in Z1- zone voor onderwijs en kennisbedrijven en Z3 - zone voor park.

Het ontwerp is in overeenstemming met het geldende RUP, met uitzondering van de volgende afwijkingen:

-          Achterbouwlijn

De stedenbouwkundige voorschriften stellen dat: ‘De bouwlijnen die uitgeven op de E40, de Grotesteenweg-Noord (N60) en de zone voor pleinen, moeten telkens voor minstens drie vierde van hun lengte door bebouwing ingenomen te worden. Deze regel geldt niet bij verbouwing of werken waarbij het volume tot maximaal 20% uitbreidt. Indien er zich een nieuwe weg bevindt in de deelzone, dan geldt deze verplichting op de nieuwe bouwlijn die ontstaat tussen de weg en het resterend deel van de bouwzone.’

In functie van de mogelijke toekomstige aanleg van een noordelijke ontsluitingsweg van de campus wordt de achterbouwlijn die wordt vooropgesteld in het RUP (30 m + 8 m) vergroot met ca. 7 m.

Ook in het bijgevoegde micro masterplan wordt de terugbouw ten opzichte van de bouwlijn voorzien in functie van de mogelijke noordelijke ontsluitingsweg.

-          Aantal opritten

Het ontwerp voorziet in een centrale toegang voor gemotoriseerd verkeer naar de ondergrondse parking. Daarnaast wordt een oprit ingericht aan de rechterzijde van het bouwterrein in functie van de leveringen en brandweer. De leveringsweg ontsluit hiermee de leveringszone links achteraan het gebouw. Verder wordt er een tijdelijke verharding uitgewerkt om zowel de brandweer als de leveringen een uitweg te bieden naar de wegenis. Deze uitrit wordt samengevoegd met de in- en uitrit tot de ondergrondse parking.

Het micro masterplan voorziet daarnaast een derde toegang voor gemotoriseerd verkeer, namelijk een uitrit voor leveringen aan de oostzijde van het bouwveld.

Voorliggende aanvraag voorziet 2 afzonderlijke opritten en het micro masterplan voegt hier in een volgende fase nog een derde oprit aan toe.

In het RUP staat dat de ruimte tussen de bouwlijnen en de aanpalende (deel)zones vrij te houden is van gebouwen en constructies. De voorschriften leggen hierbij maximum één oprit per gebouw op, wat betekent dat er voor de betrokken deelzone maximaal twee opritten zijn toegestaan.

 

Overeenkomstig artikel 4.4.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan beperkt afgeweken worden van de stedenbouwkundige voorschriften van een gemeentelijk RUP, wat betreft de perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van de constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.

De afwijkingen op de voorschriften van het RUP zijn aanvaardbaar om volgende redenen:

-          Achteruitbouwlijn

Het RUP laat expliciet een afwijking toe op de verplichting om de bouwlijnen die uitgeven op de E40, de Grotesteenweg-Noord (N60) en de zone voor pleinen voor minstens drie vierde van hun lengte door bebouwing in te nemen in het geval er zich een nieuwe weg bevindt in de deelzone. Indien dit geval is, dan geldt de verplichting op de nieuwe bouwlijn die ontstaat tussen de weg en het resterend deel van de bouwzone. De terugsprong van het nieuwbouwvolume wordt gemotiveerd vanuit een mogelijke toekomstige noordelijke ontsluitingsweg. Het onderzoek naar deze noordelijke ontsluitingsweg is lopende, maar het valt stedenbouwkundig te verantwoorden dat de mogelijkheid om deze weg achteraan bouwveld Z1p open wordt gehouden. Ook indien de noordelijke ontsluitingsweg niet zou worden gerealiseerd, kan deze afwijking ruimtelijk worden verantwoord. Enerzijds maakt deze inplanting een grotere openheid mogelijk ten opzichte van de omliggende groenzones op de campus en anderzijds blijft de visuele impact omwille van deze verschuiving eerder beperkt gezien de hoogte van het gebouw en de relatief kleine verschuiving. Bijgevolg kan deze afwijking op het RUP worden aanvaard.

-          Aantal opritten

Het geplande aantal opritten in voorliggende aanvraag betreft een voorafname van de toekomstige bouw op lot 2. De inrit tot de ondergrondse parking zal voor beide gebouwen kunnen fungeren door de centrale ligging ervan. De inrit voor de leveringen wordt eveneens gedeeld waarbij de inrit aan de rechterzijde van lot 1 wordt voorzien.

Indien het toekomstige gebouw op lot 2 effectief ook gebruik maakt van beide geplande opritten die momenteel voorliggen in project Daikin, kan gesteld worden dat dit geen afwijking betreft van het RUP, doch een voorafname van de toekomstige bebouwing.

Het principe opgenomen in het micro masterplan om drie afzonderlijke opritten te voorzien is niet toegelaten. De uitrit voor leveringen kan wel degelijk worden gecombineerd met de uitrit voor autoverkeer. Hoewel een brandweerweg rondom het toekomstige gebouw ook voor een zekere mate aan verharding zal zorgen, is dit van een andere orde dan een volwaardige leveringsweg met bovendien een afzonderlijke toegang naar de wegenis. Het opdrijven van het aantal conflictpunten op deze wegenis tot 3 afzonderlijke opritten wordt niet aanvaard.

5.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

5.3.   Verordeningen

Algemeen bouwreglement

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het algemeen bouwreglement, stedenbouwkundige verordening van de stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en gewijzigd bij besluiten van de deputatie van 29 mei 2008, 23 oktober 2008, 19 augustus 2010, 4 oktober 2012 en 17 juli 2014, zevende wijziging van kracht op 20 december 2020.

 

Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement, met uitzondering van

  • Artikel 12 (beperken van verhardingen): dit artikel stelt dat het verharden van oppervlaktes tot een minimum beperkt moet worden. De strikt noodzakelijke verhardingen moeten waar mogelijk als verharding met natuurlijke infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden.

In de voortuinzone voor het gebouw wordt de verharding beperkt tot de oprit tot de ondergrondse parking, een oprit naar de logistiek en fietsenberging en een toegangspad naar de gebouwen. Daarnaast wordt dwars hierop een brandweerweg ingetekend van 4 m breed. Deze brandweerweg wordt integraal in betonverharding voorzien. aangezien deze verharding in een mogelijk toekomstige voetgangers/fietsverbinding kan komen te liggen parallel aan de wegenis, is een breedte van 4 m overmatig. Hier moet een aanzienlijk stuk worden uitgevoerd in grasdallen (zie plan).

 

  • Artikels 13 -14: zie waterparagraaf

 

Gewestelijke verordening hemelwater

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (zie waterparagraaf).

 

Gewestelijke verordening toegankelijkheid

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid. Er werd een voorwaardelijk gunstig advies van Inter voor de

toegankelijkheid van 10/06/2021 toegevoegd aan het dossier. De aanvraag is voorwaardelijk in

overeenstemming met de bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige

verordening betreffende toegankelijkheid.

 

Gewestelijke verordening voetgangersverkeer

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1997 houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer.

Het ontwerp is in overeenstemming met deze verordening.

5.4.   Uitgeruste weg

Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gemeenteweg.

5.5.   Archeologienota

Uit het programma van maatregelen in de archeologienota bekrachtigd op 05/06/2021 met referentienummer 18818 blijkt dat er geen specifieke maatregelen met betrekking tot archeologisch erfgoed noodzakelijk zijn. Uit bureauonderzoek blijkt dat op het terrein S04 gelegen in het ‘Technologiepark Ardoyen’ te Gent-Zwijnaarde dat de trefkans klein is inzake vondsten en sporenarcheologie

 

6.       WATERPARAGRAAF

 

Hemelwater

Algemeen geplande toestand

  •  nieuwe waterdoorlatende verharding:
  • 65 m² onderhoudsboord in kiezel
  • 496 m² tijdelijk weg in steenslag
  • 1 047 m² brandweerweg in grindgazon
  •  verharding waarbij het hemelwater naar een aanpalende onverharde strook afwatert
  • 298 m² karrespoor in beton
  • 298 m² karrespoor
  • 986 m² klinker/kassei/steenstrip
  • 145 m² fietslink (beton)
  •  319 m² voetpad (beton)Laad en loszone: verharding waarvan het hemelwater aanzien wordt als afvalwater 172 m²
  •  nieuwe plat dak (3 789 m²) waarvan 440 m² wordt aangelegd als groendak en ongeveer 200 m² als terras
  •  hemelwaterput (200 m³)
  •  infiltratievoorziening (75 m³ en 110 m²)
  •  Er wordt een afwijking gevraagd voor de plaatsing van een groendak.

 

Toetsing aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) en het algemeen bouwreglement van de stad Gent (ABR) inzake hemelwater:

 

Gescheiden stelsel

De bouwheer voorziet een privaat gescheiden afvoerstel van afval- en hemelwater.

Het privaat afvoerstelsel voor hemelwater mondt uit in een wadi, in een groenzone van Technologiecampus Ardoyen. De wadi wordt voorzien voor het volledige terrein S.04.

 

Verharding

Er werd een aangepast verhardingsplan aangeleverd waarin wordt aangegeven dat alle verhardingen worden aangelegd in waterdoorlatende verharding of verhardingen die natuurlijk afstromen.

Enkel in het geval voldaan is aan de volgende voorwaarden (conform ook het advies van de provincie), moeten deze verhardingen niet in rekening worden gebracht bij de dimensionering van de voorziening:

-          waterdoorlatende verharding:

Het geheel van waterdoorlatende verharding en fundering dient blijvend een even goede doorlatendheid te hebben als een reguliere infiltratievoorziening.  Er mag geen enkele vorm van versnelde waterafvoer aanwezig zijn (geen drainageleidingen, goten, afvoerkolken (andere dan noodafvoer-/overstortkolken), hellingen, …). De verharding wordt niet in helling aangelegd (minder dan 0,5 %) en er worden opstaande randen voorzien die het water op de waterdoorlatende verharding houden tenzij de waterdoorlatende verharding kan afwateren naar een gras- of groenstrook met een oppervlakte die minstens 15 % van de verharde oppervlakte bedraagt.

 

-          natuurlijke infiltratie:

Verhardingen of overdekte constructies moeten afvloeien naar een voldoende grote onverharde oppervlakte (op eigen terrein) waar natuurlijke infiltratie kan plaatsgrijpen. De onverharde oppervlakte moet minimaal 1/3 van de oppervlakte van de verharding of constructie zijn, uitgewerkt met een maaiveldverlaging van 30 cm (wadi).

De constructies mogen niet voorzien worden van goten.

 

Natuurlijke infiltratie en waterdoorlatende verhardingen mogen niet leiden tot wateroverlast bij derden.

 

Dit zal als bijzondere voorwaarde worden opgelegd bij de omgevingsvergunning.

 

Hemelwaterput

Er wordt een hemelwaterput van 200 m³ voorzien. Het aangetoond nuttig hergebruik wordt geschat op 110,1 m³/maand (sanitair: 550x30l/dagx1/3x20 dagen en schoonmaak 20*50l/dag). Daarnaast zal Daikin ernaar streven om 375 m³ hemelwater op jaarbasis te gebruiken, waarvan bij de start 75 m³ in rekening wordt gebracht. Er wordt onderzocht hoe regenwater kan gebruikt worden voor demi-water en als voeding voor de droge koeler (DRYCOOLER). Voeding van droge koeler zal enkel in de zomer zijn als er hoge buitentemperaturen zijn.

Op termijn komt het hergebruik dus op 141,35 m³/maand, 2 827 m² van de dakoppervlakte wordt gecompenseerd.

 

De hemelwaterput moet voorzien zijn van een operationeel pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt, dit is niet af te lezen op de plannen.

 

Groendak

Het groendak op de lagergelegen daken/luifel (440 m²) moet zo opgebouwd worden dat het begroeid kan worden met planten en waar er onder de planten een buffervolume voorzien is van minimaal 35 l/m².

 

Volgens het ABR moeten alle platte en licht hellende daken (hellingsgraad tot 15°) die niet gebruikt worden voor de opvang en hergebruik van hemelwater als groendak aangelegd worden. Op die manier worden toch inspanningen geleverd om water zoveel mogelijk vast te houden aan de bron met een verbetering van de waterhuishouding als gevolg.

Gebouwen met een andere hoofdbestemming dan wonen zijn vrijgesteld van de verplichting tot plaatsing van een groendak, voor het gedeelte van de totale dakoppervlakte waarvoor het nuttig gebruik is aangetoond.

De vrijgestelde dakoppervlakte in functie van het aangetoond nuttig hergebruik is 2.827 m², dit is maw de dakoppervlakte die dient aangesloten te worden op de hemelwaterput en bijgevolg wordt vrijgesteld van de aanleg van een groendak.

De bouwheer vraagt voor de hoger gelegen daken op basis van artikel 14 van het ABR een afwijking op de verplichting om een groendak aan te leggen en dit voor de resterende oppervlakte van 322 m².

Volgens het gemotiveerd verzoek, toegevoegd aan het dossier, kan de afwijking toegestaan worden, op voorwaarde dat conform het plan de daken worden vol gelegd met zonnepanelen en technische infrastructuur, er maximaal wordt ingezet op hergebruik van hemelwater en de overige bepalingen uit het ABR en de GSV inzake hemelwater strikt opgevolgd worden.

 

Infiltratievoorziening

De infiltratievoorziening dient gedimensioneerd te worden op volgende verharde oppervlakten (zie hierboven en mits de bijzondere voorwaarden inzake verharding strikt wordt nageleefd): *dakoppervlakte dak (3.349 m²)

*groendak/2 (220 m²)

Via de aanstiplijst vraagt de bouwheer om de infiltratievoorziening te mogen verkleinen, met 2.200 m² door een hoog verbruik. Het verkleinen van de infiltratievoorziening kan toegestaan worden.

De oppervlakte die in rekening gebracht dient te worden voor de berekening van de infiltratievoorziening is 1.369 m².

De infiltratievoorziening dient volgens de GSV een inhoud te hebben van 34,2 m³ en een oppervlakte van 54,7 m².

 

De provincie legt in haar advies, rekening houdend met de locatie specifieke kenmerken (o.a. bodem = lemig zand) van het gebied, een strengere eis voor het buffervolume op van minstens 330 m³/ha op. Volgens deze strenger eis dient de infiltratievoorziening een inhoud te hebben van 45,2 m³ (en een oppervlakte van 54,7 m²).

 

De bouwheer voorziet een infiltratievoorziening van 75 m³ en een oppervlakte van 110 m² volgens de aanstiplijst. De infiltratievoorziening is correct gedimensioneerd volgens de GSV en de strengere eis volgens de provincie.

 

De wadi dient bij ingebruikname van het gebouw beschikbaar te zijn.

 

De infiltratievoorziening is bovengronds.

Om infiltratie toe te laten dient de gemiddelde hoogste grondwaterstand idealiter dieper gelegen te zijn dan de infiltratievoorziening.

De eventuele overloop moet boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand gelegen zijn, aangezien de infiltratievoorziening anders als drainage fungeert.

 

Er kan voldaan worden aan de GSV en ABR indien bovenstaande maatregelen worden toegepast.

 

Watertoets

Het project situeert zich in het stroomgebied van waterloop in beheer van Provincie Oost-Vlaanderen. Het is niet gelegen in effectief of mogelijks overstromingsgebied of risicozone voor overstromingen.

 

De gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen en het algemeen bouwreglement van Stad Gent inzake hemelwater werd hierboven besproken.

 

In het dossier wordt een bestaande gracht gedempt. Deze gracht werd aangelegd voor de tijdelijke steenslag parking op de site. Deze verharding zal bij de geplande bouw verdwijnen. Er zijn geen andere verhardingen aangesloten op deze gracht.

 

De aanleg van de ondergrondse constructie mag er geenszins voor zorgen dat er een permanente drainage optreedt met lagere grondwaterstanden tot gevolg. Een dergelijke permanente drainage is immers in strijd met de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid waarin is opgenomen dat verdroging moet voorkomen worden, beperkt of ongedaan gemaakt. De ondergrondse parking dient dan ook uitgevoerd te worden als volledig waterdichte kuip en zonder kunstmatig drainagesysteem.

 

Er kan geconcludeerd worden dat voorliggende aanvraag mits toepassing van bovenstaande maatregelen de watertoets doorstaat.

De watertoets gebeurt op basis van de gegevens uit het geoloket watertoets (http://www.waterinfo.be).

 

Afvalwater

De lozing van het afvalwater en de bemaling zijn ingedeelde activiteiten.

Er wordt een vetvang voorzien.

Het afvalwater dat afkomstig is van de keuken moet via een genormeerde vetafscheider (NEN-EN 1825 / DIN 4040) of gelijkwaardig geloosd worden.

 

Grondwater

De bemaling werd bij het dossier gevoegd. De impact van de lozing en bemaling wordt besproken onder het aspect afvalwater en bodem en grondwater. De lozing en de bemaling moeten voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

Voor het gebied werd een beschrijvend bodemonderzoek opgemaakt. Er moet tijdens de werken (afgravingen, bemalingen,…) dan ook rekening gehouden worden met de conclusies en eventuele voorwaarden die zijn opgenomen in het onderzoek voor zover ze van toepassing zijn op de werken in de aanvraag.

 

De lozing van het afvalwater en de bemaling zijn ingedeelde activiteit. De impact van de lozing en bemaling werden besproken onder het aspect afvalwater en bodem en grondwater. De lozing en de bemaling moeten voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II (en de bijzondere voorwaarden) waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

Er wordt bodemvreemd materiaal opgeslagen (indelingsplichtig) in niet overstromingsgevoelig gebied.De impact van het bodemvreemd materiaal wordt besproken onder het aspect bodem en grondwater. De opslag moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.

 

7.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft betrekking op een activiteit die voorkomt op bijlage II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 (MER-besluit).
Er werd een MER-ontheffingsnota (d.d. september 2021 ) opgemaakt en toegevoegd aan het dossier. De ontheffing van de rapportageverplichting werd door team MER van de afdeling

Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van het departement Omgeving verleend waarbij geoordeeld werd dat in het licht van de kenmerken van het project, de plaatselijke omstandigheden en de kenmerken van zijn potentiële effecten er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn zodat bijgevolg het project niet MER-plichtig is. De ontheffingsbeslissing (1 oktober 2021) werd toegevoegd aan het dossier (kenmerk PR2711). De ontheffing wordt verleend voor een termijn van vier jaar.

 

8.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het openbaar onderzoek werd gehouden van 28 oktober 2021 tot 26 november 2021.
Gedurende dit openbaar onderzoek werd 1 bezwaar ingediend.

 
De bezwaren worden als volgt samengevat:

-          Mobiliteit:

  • Openbaar vervoer: In de mobiliteitsstudie worden tram- en buslijnen vermeld die amper of niet worden gebruikt;
  • Parkeren: Ontbreken van een duidelijk parkeerregime in het plan-MER met als gevolg een toename aan parkeerdruk in de omliggende woonwijken;
  • Autoverkeer: Men verhuist een bedrijf waarvan het merendeel van werknemers met de auto komt. De vrees bestaat dat de verkeersdruk onaanvaardbaar zal toenemen en dit op infrastructuur die reeds verzadigd is. Er zijn te weinig inspanningen van het bedrijf om een modal shift te implementeren;

Er wordt bovendien nog steeds gebruik gemaakt van 2 illegale toegangen aan de kant van de Tramstraat (enkel inrijden); indien deze worden afgesloten, zal de file op de ovonde nog toenemen; Men beschrijft steeds primaire invalswegen als voorkeursweg, doch er worden naast de primaire invalswegen gebruik gemaakt van tertiaire wegen als sluiproutes;

De herinrichting van het MOBER baseert zich op bestaande plannen die niet aangepast zijn aan de huidige realiteit. Er wordt verwezen naar het mobiliteitsplan van Prof. Dr. Koen De Bosschere (Ugent) als mogelijke oplossing;

 

-          Milieueffecten:

Milieueffecten van de verkeerstoename dienen onderzocht te worden, in het bijzonder CO2 en stikstof aangezien zich rond de projectsite een woongebied bevindt;

De metingen van stikstof ter hoogte van de Gestichtstraat (overkant R4) zijn nu reeds ruim overschreden, de bijkomende belasting door toename van verkeer en de bedrijfsemissies kunnen niet worden goedgekeurd; een manier is het overgegaan tot een 100% milieuvriendelijk en elektrisch wagenpark;

Naar aanleiding van het stedenbouwkundig onderzoek van deze aanvraag worden de bezwaren als volgt besproken:

 

-          Mobiliteit: Om het parkeergedrag op het Technologiepark onder controle te kunnen krijgen, werden er reeds jaren geleden afspraken gemaakt met de UGent. Het aantal parkeerplaatsen is gelimiteerd en er moest een centraal parkeergebouw met beheer voor de gehele campus komen. Samen met de komst van dit parkeergebouw waarvoor reeds een omgevingsvergunning (OMV_2020001128 en OMV_2020175691) werd verleend, wordt het Technologiepark tevens afgesloten met slagbomen en onderworpen aan een parkeermanagement. Met de heraanleg van de centrale wegenis wordt het straatparkeren op de campus verboden. De inritten tot de campus via de Tramstraat worden afgesloten voor autoverkeer en twee uitritten worden tijdelijk vergund. Ook dit wordt samen geïmplementeerd met de ingang van het centrale parkeermanagement op de site. Daarnaast wordt door UGent in overleg met De Lijn bekeken om bussen te laten halteren op de campus. Dit is in de huidige situatie nog niet het geval.

 

In het recent goedgekeurde RUP Technologiepark (Ardoyen-Tramstraat) werd een maximale parkeernorm vastgelegd. Tot zolang de nieuwe ontsluitingsinfrastructuur aan de Grotesteenweg Noord (N60) niet is gerealiseerd én in gebruik genomen, mogen er maar 170 bijkomende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In voorliggende aanvraag worden 151 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein, waarmee binnen de maximale groei opgelegd in het RUP wordt gebleven.

Het is correct dat er grote inspanningen nodig zullen zijn om het autogebruik naar beneden te halen op korte termijn. Stad Gent wenst maximaal in te zetten op duurzame mobiliteit, wat eveneens inhoudt dat het aantal parkeerplaatsen zoveel mogelijk moet worden beperkt om een zo duurzaam mogelijke modal split na te streven. In het Mober worden een aantal milderende maatregelen opgelegd om deze modal split te verwezenlijken. Zo engageert Daikin zich ertoe om in te stappen in het mobiliteitscoördinatiecentrum SPITS van de stad Gent. De stad Gent heeft dit mobiliteitscoördinatiecentrum opgericht om een duurzaam mobiliteitsbeleid te ontwikkelen. Er zal ook een parking policy worden toegepast. Er zullen effectief bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om de voorziene modal split te kunnen bereiken. Dit wordt eveneens mee opgenomen als bijzondere voorwaarde bij voorliggend omgevingsvergunning.

Het aspect rond het afwentelen van de parkeerdruk op de omgeving buiten de campus, maakt strikt genomen géén voorwerp uit van voorliggende aanvraag. De problematiek is gekend en ook al duidelijk aangehaald in het MER rapport dat samen met het RUP is goedgekeurd. Stad Gent neemt deze problematiek zeker mee bij de verdere opmaak en uitrol van het wijkmobiliteitsplan voor Zwijnaarde.

 

-          Milieu-effecten

Dit bezwaarschrift is ongegrond. De verkeersuitstoot werd wel degelijk in rekening

gebracht in de ontheffingsnota. Alle relevante luchtemissies worden in het ontheffingsdossier (Bijlage D3) Deel IV §2.2 en Deel VI § 3 zowel in de aanleg- als in de exploitatiefase bekeken. Hieruit blijkt dat de bijdragen geen overschrijdingen van de grenswaarden zullen veroorzaken en dat de effecten verwaarloosbaar zijn.

 

9.       OMGEVINGSTOETS

 

Team Stadsbouwmeester

Voorliggende aanvraag OMV_2021143033, betreft het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg, door Daikin Europe N.V. nv, gelegen te Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde.

Dit project werd voorbesproken met Team Stadsbouwmeester en driemaal voorgelegd aan de Kwaliteitskamer ter advisering. Nadien heeft de Team Stadsbouwmeester verder opgevolgd per email.

 

Conclusie:

Team Stadsbouwmeester waardeert de inspanningen van de ontwerper om dit project in de loop van het traject steeds verder te gaan verfijnen.

Het project werd voorgelegd aan de Kwaliteitskamer en werd nadien bijgestuurd conform aan het advies van de Kamer. Team Stadsbouwmeester heeft geen verdere ruimtelijke, architecturale of esthetische opmerkingen meer op voorliggend voorstel, en adviseert daarom gunstig.

 

Het integrale advies van Team Stadsbouwmeester wordt bijgevoegd als bijlage.

 

Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening

Programma en densiteit

Een nieuwbouw met zowel kantoren als een onderzoeksgebouw met labo opstellingen voor het uitvoeren van testen valt perfect in te passen in de bestemming ‘onderzoek en kennisbedrijven’. Het volume past zich in in het gedachtengoed van het stadsontwerp voor de campus, zijnde een strokenbouw met strak afgelijnde, dens bebouwde zones enerzijds en bouwvrije groene zones anderzijds.

 

Het micro masterplan dat werd toegevoegd aan het dossier, toont aan dat de aanvraag geen hypotheek legt op de verder ontwikkeling van de betrokken deelzone (Z1p). Op een aantal beperkte afwijkingen na (zie hierboven), is het project in overeenstemming met het geldende RUP.

Met de V/T index van 4,1 op eigen terrein wordt gehoor gegeven aan de gevraagde verdere verdichting en dit binnen de opgelegde bouwlijnen. Hoewel het toekomstige gebouw op lot 1 smaller zal zijn, kan ook hier een degelijke hoogte en densiteit worden gehaald.

De inrit tot de ondergrondse parking wordt door de centrale ligging tussen beide loten gedeeld, wat vanuit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik zeer positief is. In tegenstelling tot het micro masterplan is ook het dubbel gebruik van de centrale oprit in functie van de leveringen een vereiste zodat het totale aantal opritten tot het bouwveld kan beperkt worden tot twee (zie hierboven).

 

Architectuur en beeldkwaliteit

Architecturaal werd gestreefd naar een duidelijk beeld in combinatie met het programma van DAIKIN. De architectuur ondersteunt en veruitwendigd de functies in het gebouw. Er wordt gekozen voor een duidelijk verschil tussen het onderzoeks- en kantoorgedeelte in uiterlijk voorkomen, doch met een visuele aansluiting aan de hand van een gelijkvloerse luifel. Gezien de beeldbepalende ligging langs de E40 werd in navolging van het beeldkwaliteitsplan de nodige aandacht aan de architectuur besteed. De architecturale kwaliteit wordt bevestigd in het bijgevoegd advies van Team Stadsbouwmeester. 

 

Op het gebouw wordt aan oost-, zuid- en westzijde van een uithangbord voorzien onder de vorm van een statisch verlichte belettering. Deze uithangborden op het gebouw zijn een representatie van het bedrijf waardoor het zich kenbaar maakt aan de omgeving. De belettering in de kleur van het bedrijfslogo staat in verhouding tot de gevels.

Vanuit de voorschriften uit het Lichtplan komt naar voor dat de verlichting sober en stabiel dient te zijn (niet flikkerend op dynamisch), met zachtgekleurd licht. Dergelijke van binnenuit verlichte reclames en uithangborden geven op de aanliggende gevels en openbaar domein niet meer licht dan 2 lux. Bij aangelichte reclames is het licht goed en enkel gericht op de reclame zelf. Deze ontvangt maximaal een lichthoeveelheid van 10 lux.

 

Omgevingsaanleg

De bouwvrije strook rechts en achter het gebouw wordt grotendeels verhard in functie van brandweertoegankelijkheid en de inrit voor de leveringen. Door te werken met grasdallen/grindgazon en een karrespoor wordt hier echter een maximale groene inpassing met de aanpalende parkzone beoogd. Het is van belang dat de beperkte onverharde restzones rondom het gebouw effectief een groene en kwalitatieve invulling krijgen. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd.

 

Het voorplein tussen de wegenis en de voorbouwlijn werd maximaal als groenzone aangelegd, rekening houdend met de nodige in- en uitritten en een vereiste brandweerdoorgang parallel aan de wegenis. De brandweerwegenis in deze voortuinzone wordt integraal in beton voorzien en dit over een breedte van 4 m. Dit strookt niet met de betrachting van Stad Gent om verharding maximaal waterdoorlatend uit te voeren. Aangezien deze verharding in een mogelijk toekomstige voetgangers/fietsverbinding kan komen te liggen parallel aan de wegenis, is een breedte van 4 m overmatig, doch kan wel worden ingestemd met een betonverharding van 2 m breed parallel aan de wegenis. De resterende oppervlakte moet waterdoorlatend worden uitgevoerd in grasdallen (zie plan). De aansluiting van deze buitenaanleg op de algemene omgevingsaanleg op de campus en op het linksaanpalende voorplein op lot 1a zal in een volgende fase moeten worden gefinaliseerd. 

 

De wadi gesitueerd in de groenzone is van voldoende beperkte omvang, zodat het kan geïntegreerd worden in de beoogde bosomgeving. Een kleine ontbossing (spontane verbossing) dient ook te gebeuren en het nodige boscompensatieformulier is toegevoegd. Dit aspect wordt ook verder besproken bij de bespreking van de bemaling onder het hoofdstuk van de ‘Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten’.

Op voorwaarde dat voorgaande strikt wordt nageleefd, kan worden aangenomen dat de impact op de biologisch waardevolle vegetaties binnen de campus effectief voldoende wordt beperkt.

 

Mobiliteit

Bereikbaarheid

Op het technologiepark wordt ingezet op veilig fiets- en voetgangersverkeer. Dit is nog volop in ontwikkeling.

Momenteel komen de bussen tot op de ovonde buiten het Technologiepark. Het is echter de bedoeling om de bus doorheen het Technologiepark te laten rijden teneinde hier een betere bediening aan te bieden. De hiervoor bedoelde bushalte zal voor dit gebouw liggen.

Het Technologiepark is zeer goed bereikbaar per wagen, aangezien het vlak bij de R4, de E40 en de Oudenaardsesteenweg ligt. Om het Technologiepark niet te laten dichtslibben, en het sluipverkeer dat er nu overheen rijdt eruit te halen, zullen er slagbomen geïnstalleerd worden op de toegangswegen naar het park.

 

Parkeren

Om de aanvraag te toetsen aan de goede ruimtelijke aanleg, bekijken we de voorgestelde parkeeroplossingen. De Stad beoogt de leefbaarheid en kwaliteit van de stad te bewaren en zelfs te versterken zonder de parkeeroverlast op de omgeving zonder meer te verhogen. De Stad stelde hiertoe een set van fiets- en autoparkeerrichtlijnen op, opgenomen in het Parkeerplan Gent, deel uitmakend van het Mobiliteitsplan van de Stad. De parkeerrichtlijnen worden gebruikt om aan de hand van objectieve criteria de gewenste parkeerratio te berekenen:

1. Type functie: labo’s en kantoren

2. Ligging: zuidelijke mozaïek 

3. Grootte: 12.066 m² labo’s en 11.402 m² kantoren

 

Rekening houdend met bovenstaande, vragen de parkeerrichtlijnen:

Voor fietsen: minimaal 292 fietsenstallingen, waarvan 10% voor buitenmaatse fietsen moet kunnen dienen en max 40% dubbellaags uitgevoerd mag worden. Daikin voorziet 277 plaatsen voor personeel en 16 plaatsen voor bezoekers of 293 plaatsen in totaal. De plaatsen voor personeel worden als volgt opgedeeld: 134 ‘standaard’ plaatsen (98 op het gelijkvloers en 36 in de kelder), 27 grotere plaatsen (19 op het gelijkvloers en 8 in de kelder), en 116 dubbellaagse plaatsen in de kelder. Alle stallingen voor personeel zijn inpandig, en bijgevolg afsluitbaar. Om bijkomende ruimte te creëren voor deze fietsenstallingen werd een inkomstsas en een circulatiezone geïncorporeerd in de fietsenstalling van het gelijkvloers, en werd de kleedkamer naar niveau -1 verplaatst. In de kelder werden in totaal 14 parkeerplaatsen geschrapt voor extra fietsenstalling. Om deze kelder vlot te bereiken wordt een extra fietsenlift geïnstalleerd die voldoende groot is om meerdere bakfietsen tegelijk te vervoeren. Bij een eventueel defect van deze lift kan men ook de helling van de wagens naar de parking gebruiken. Naast de stalling voor personeel zijn er ook 16 plaatsen voor bezoekers op het gelijkvloers: 14 standaard en 2 grotere plaatsen.

 

Voor auto’s: het maximale aantal parkeerplaatsen die men volgens het RUP op het Technologiepark mag bijmaken tot zolang de nieuwe ontsluitingsinfrastructuur aan de Grotesteenweg Noord (N60) niet is gerealiseerd en in gebruik is genomen, bedraagt 170. Daikin voorziet een ondergrondse parkeergarage met 151 plaatsen. Hieraan wordt voldaan.

Het voorziene aantal parkeerplaatsen houdt eveneens het doorvoeren van een ambitieuze modal split in voor Daikin. Met de indiening van de MOBER engageert Daikin zich om deze modal split effectief te gaan bewerkstelligen. Dit zal aanzienlijke inspanningen vergen.

Zo engageert Daikin zich onder meer ertoe om in te stappen in het mobiliteitscoördinatiecentrum SPITS van de stad Gent. De stad Gent heeft dit mobiliteitscoördinatiecentrum opgericht om een duurzaam mobiliteitsbeleid te ontwikkelen. Er zal ook een parking policy worden toegepast. Naast deze inspanningen zullen nog initiatieven vereist zijn. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd.

 

Voor leveringen kunnen de grotere vrachtwagens achterom het gebouw rijden. Er worden gemiddeld een 5-tal vrachtwagens per dag verwacht, inclusief de afvalophaling. De K+R-strook aan de voorzijde van het gebouw werd geschrapt. Er is voldoende ruimte ter hoogte van deze vrachtwagen- en nooddiensten-inrit om een pakket te leveren of iemand te laten in- of uitstappen. De ondergrondse parkeergarage heeft een aparte toegang.

 

De Nota fiets- en autoparkeerrichtlijnen is géén op zichzelf staand, verordenend instrument maar houdt wél rekening met de decretaal vastgestelde beoordelingselementen die de goede ruimtelijke ordening mee vorm geven. In die zin is deze nota dan ook te beschouwen als ‘beleidsmatig gewenst met betrekking tot de mobiliteitsimpact’, in de zin van art. 4.3.1 §2 2° a) van de Vlaamse codex ruimtelijke ordening.

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

Kantoorgebouw

aspect afval

Er worden ondergrondse afvalcontainers voorzien.

Er wordt ingeschat dat volgende afvalstoffen worden geproduceerd op de site per maand:

- Karton: 2 grote containers (1.100 l)

- Koper: 2 grote containers (1.100 l)

- Restafval: 6 grote containers (1.100 l)

- Houtafval: 0,5 grote container (1.100 l)

- Metaal: 0,25 grote container (1.100 l)

- Elektrische componenten: 0,25 kleine container (200 l)

- Piepschuim: 1 plastic zak

- Foliën: 1 plastic zak

- Spuitbussen: 12 * 500 ml

- Batterijen: 1/5 van een 2 l doos

- Oliën: 1 x 5l doos

De exploitant geeft aan dat er zo efficiënt mogelijk worden omgesprongen met de beschikbare materialen en dat de geproduceerde afvalstoffen zo goed mogelijk gesorteerd/ingezameld worden waarna ze regelmatig opgehaald worden door een daartoe geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

De voortgebrachte afvalstoffen (pmd, papier en karton, KGA, glas, AEEA, afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten,…) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.

De constructie van de ruimten waar afvalstoffen tijdelijk zijn opgestapeld is zodanig dat accidenteel uit bepaalde recipiënten ontsnappende vloeistoffen, morsvloeistoffen en uitlogingen op een adequate wijze kunnen verwijderd worden.

Het is verboden afvalstoffen in brand te steken of te verwijderen door lozing.

Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen anders dan door afvoer.

Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

aspect afvalwater

De inrichting ligt in niet gerioleerd gebied volgens het zoneringsplan van Stad Gent, vastgesteld door de Vlaamse Regering in de stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021 op 18 december 2015.

 

Er wordt 4 500 m³/jaar huishoudelijk afvalwater en 255 m³/jaar bedrijfsafvalwater verwacht voor het gebouw. Het afvalwater wordt via de riolering van het technologiepark geloosd in openbare riolering van de Rooskensstraat. Door de exploitant werd er een lozingsovereenkomst afgesloten (voor huishoudelijk en bedrijfsafvalwater) met de VZW Ardoyen. De lozing valt onder lozingsvergunning (OMV_2019080919) van VZW Ardoyen en wordt niet opgenomen in de huidige aanvraag.

 

Huishoudelijk afvalwater

Voor sanitaire doeleinden wordt gerekend met een verbruik van 30 liter per dag per persoon. Bijgevolg kan, rekening houdend met ca. 600 werknemers, een verbruik van ca. 18 m³/dag, 360 m³/maand of ca. 4.500 m³/jaar verwacht worden. Het huishoudelijk afvalwater zal geloosd worden via twee septische putten, het afvalwater van de keuken wordt via een genormeerde (NEN-EN1825 / DIN 4040) vetafscheider geloosd in de gescheiden riolering van de VZW Ardoyen.

 

Bedrijfsafvalwater

Door de behandeling van leidingwater (omgekeerde osmose) ontstaat er afvalwater. Dit wordt ingeschat op ca. 250 liter/u, 2 m³/dag en 255 m³/jaar.

Het hemelwater dat terechtkomt op de leveringszone zal via een KWS-afscheider afgevoerd worden naar de DWA. Hemelwater dat in de ondergrondse parkeergarage terechtkomt, zal eveneens via de DWA afgevoerd worden.

 

De KWS-afscheider dient conform Vlarem II afdeling 4.2.3.bis onderhouden en geëxploiteerd te worden. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Het afvalwater zal geloosd worden op de DWA van het gescheiden rioleringsstelsel van de VZW Ardoyen op het Technologie-park Zwijnaarde.

 

Voor de samenstelling van het bedrijfsafvalwater werden analyseresultaten (21/06/2021) van de gelijkaardige site van Daikin Oostende toegevoegd en getoetst aan de geldende bijzondere lozingsvoorwaarden voor de lozing van afvalwater zoals opgenomen in de omgevingsvergunning van VZW Ardoyen. Hieruit blijkt dat voor de parameter nonylfenol een overschrijding van de lozingsnorm wordt vastgesteld (1,9 µ/l, bijzondere lozingsnorm: 0,3 µg/l). Voor de overige parameters wordt wel voldaan aan de bijzondere lozingsnormen.

Het bedrijf geeft aan dat de bedrijfsafvalwaterstroom van Daikin slechts 0,3% bedraagt van het vergunde debiet van VZW Ardoyen, waardoor de impact van Daikin op het geloosde afvalwater eerder beperkt zal zijn.

Conform het advies van de POVC wordt aangegeven dat dit niet geregeld dient te worden in onderhavige vergunningsaanvraag, maar met de VZW Ardoyen, die verantwoordelijk is gesteld voor de lozing van de bedrijven gelegen op het Technologiepark te Zwijnaarde.

Er wordt wel opgemerkt dat nonylfenol een schadelijke stof (giftig voor in waterlevende organisme, hormoonverstoorder,…) is die niet meer verkocht of gebruikt mag worden sinds 2005 in de Europese Unie (tenzij in uitzonderlijke gevallen). Lozing van deze stof dient opgevolgd en vermeden te worden.

 

aspect bodem en grondwater

Voor de opslag van producten in klein verpakkingen (17.4 –400 kg) en voor de opslag van oliën (6.4.1°-2.800 liter) zullen lekbakken of kasten met een opvangcapaciteit voorzien worden.

 

Er worden 4 transformatoren (2x 1 000 kVA en 2x 2 500 kVA) in een aparte lokalen voorzien. Indien oliegekoelde transformatoren geplaatst dient een opvangbak voor eventuele lekken wordt voorzien. Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

Voor de koeling en de verwarming van het gebouw wordt gebruik gemaakt van geothermie. Er wordt een BEO-veld aangelegd. Hiervoor gebeuren meerdere boringen tot een diepte van 140 m-mv. Er zijn 80 boringen voorzien. Het dieptecriterium is 150 m op deze locatie, het BEO-veld is dus niet ingedeeld volgens Vlarem II, maar in hoofdstuk 6 van Vlarem II is hiervoor wel reglementering opgenomen. Dit wordt als opmerking meegegeven.

 

aspect veiligheid

Rubriek 17.1.2.1.2° wordt aangevraagd voor de opslag van 400 l koelmiddel R410 (groep 4), 600 l koelmiddel R32 (groep 1), 336 l koelmiddel R744/CO2 (groep 4), 300 l stikstof (groep 4), 300 l acetyleen (groep 1), 300 l zuurstof (groep 3), 300 l helium (groep 4), 400 l recup R410 (groep 4) en 400 l recup R32 (groep 1).

De gasflessen worden buiten gestockeerd. De gassen van groep 1 worden volgens het aanvraag dossier gescheiden van de overige gasflessen. De gasflessen zijn beveiligd tegen omvallen.

De volle en lege gasflessen dienen apart gestockeerd te worden en er dient rekening gehouden te worden met de afstandsregels conform artikel 5.17.3.2.4. van Vlarem II. Dit wil zeggen dat tussen de opslag van groep 1 (acetyleen en R32) en groep 3 (zuurstof) minimum 2 meter afstand dient gehouden.

De gasflessen moeten steeds met behulp van beugels of kettingen beschermd worden tegen omvallen.

Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

De compressoren zijn gekoppeld aan drukvat van 300 l en de toelaatbare druk is 10 bar.

Het product van de toelaatbare druk en het volume is dus niet groter is dan 3.000 bar.liter. Bijgevolg dient de luchtcompressor, conform artikel 5.16.3.2, §4 van Vlarem II, niet onderworpen te worden aan een onderzoek door een milieudeskundige erkend in de discipline houder voor gassen of gevaarlijke stoffen.

 

Er werd na het wijzigingsverzoek van 4 november 2021 een gunstig advies van de brandweer bekomen op 30 december 2020, mits het in acht nemen van de aandachtspunten. Er werd tevens aangegeven dat een advies van de Astrid-veiligheidscommissievereist is. Er werd reeds een gunstig advies verstrekt van

de Astrid-veiligheidscommissie op 9 november 2021, waarmee voldaan wordt aan deze voorwaarde.

 

Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen dient te gebeuren in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer. De voorwaarden uit het advies (met referentie 063352-009/DVDS/2021) van de Brandweerzone Centrum, Afdeling Brandpreventie dienen steeds nageleefd te worden. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

aspect lucht

Het gebouw wordt verwarmd en gekoeld d.m.v. hybride stookinstallaties.

De uitlaatgassen van de 3 aanwezige hybride stookinstallaties worden geëmitteerd naar de lucht. Deze werken gedeeltelijk op basis van warmtepompen en gedeeltelijk op aardgas. Voor het overige zijn geen geleide emissiepunten aanwezig.

In de testrooms zijn er hybride warmtepompen, dit betreffen mobiele installaties voor testdoeleinden, deze zijn niet indelingsplichtig en niet opgenomen in de toestellenlijst.

 

Onder rubriek 16.3.2°b) worden diverse koelinstallaties met een totale drijfkracht van 3 111,5 kW en 2 persluchtcompressoren met een drijfkracht van 2 x 11 kW aangevraagd.

De gebruikte koelmiddelen betreffen CO2(GWP 1), R32 (GWP 677), R410A (GWP 2088), het aantal gezamenlijke ton CO2 equivalente ligt onder de 2000 (567,33). Rubriek 16.3.1 is bijgevolg niet van toepassing. 

De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.

De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.

Deze elementen worden als opmerking opgenomen.

 

De geothermische warmtepomp, die zal worden aangewend voor de centrale verwarming en de koeling van het gebouw, zal voldoen aan de EG-eisen voor machines, elektromagnetische apparatuur en drukapparatuur (richtlijn 98/37/EEG). Het koelcircuit zal gevuld worden met een koelmedium en zal volledig gesloten en geïsoleerd zijn zodat de kans op lekken verwaarloosbaar is.

 

Er wordt een laad- en losplaats voor bedrijfsvoertuigen en 3 stalplaatsen voor 2 forkliften en 1 kuismachine aangevraagd. Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, moeten de motoren van de bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d… Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

aspect geluid

Het nieuwe gebouw wordt geplaatst op het technologiepark in Zwijnaarde, niet ver van de E40. In de directe omgeving is er geen bewoning. De dichtste woningen zijn gelegen ten oosten op ca 220 m en ten westen op ca 320 m.

De geluidsemissies vanuit het gebouw betreffen voornamelijk de technische installaties op het dak.

De installaties op het dak zullen achter een scherm/gedempt ventilatierooster worden geplaatst. Er wordt rekening gehouden bij de aankoop van nieuwe installatie met het geluidsaspect.

 

In een toegevoegde geluidstudie wordt de impact van de constructiefase, de gewijzigde verkeersintensiteiten in de omgeving en de effecten ten gevolge van technische installaties beschouwd.

Uit deze studie blijkt dat er geen milderende maatregelen noodzakelijk zijn:

-Omwille van het hoge achtergrondgeluid overdag veroorzaakt door het wegverkeer op de E40, is een toename van het geluid tijdens de werffase niet erg waarschijnlijk.

-De gewijzigde verkeersintensiteiten in de omliggende straten geven geen aanleiding tot significante geluidsniveauverhogingen. Voor geluid is een toename pas relevant vanaf minstens 20%, wat overeenkomt met een verschil van 1 dB. Volgens de mobiliteitsstudie is er geen dergelijke toename in verkeer.

-Voor de technische installaties wordt er voldaan aan de Vlarem -geluidsnormen. Het specifiek geluid veroorzaakt door de technische installaties blijft ruim onder grenswaarde voor alle beoordelingspunten.

 

De resultaten van de geluidstudie kunnen conform het advies van de POVC worden bijgetreden. Voor de bemaling wordt er door de POVC wel een bijzondere voorwaarde voorgesteld, dit wordt verder besproken.

 

Gezien de ligging op minimaal 220 m van de dichtste woning, de resultaten van de geluidstudie en er geen bezwaren inzake geluidshinder werden uitgebracht wordt er vanuit gegaan dat het voortgebrachte geluidsniveau binnen de grenzen ligt van het aanvaardbare.

 

aspect energie

Het betreft geen energie-intensief bedrijf, het totaal primair energieverbruik wordt geraamd op ca. 0,088 PJprim.

- Elektriciteit zal worden aangewend voor verlichting, verwarming/koeling van het gebouw, allerhande apparatuur, installaties, …Het jaarlijks elektriciteitsverbruik wordt geraamd op ca. 9.750 MWh of 0,0878 PJprim.

- Aardgas zal worden aangewend voor testdoeleinden (hybride warmtepompen). Een hybride warmtepomp is een combinatie van een lucht-waterwarmtepomp en een gasgestookte hoogrendementsketel. Het totaal aardgasverbruik wordt geraamd op ca. 200 MWh of 0,00072 PJprim op

jaarbasis.

- In het sprinklerlokaal worden twee dieselmotoren (bluswaterpompen) voorzien (1 x 84,3 kWth en 1 x 113 kWth), hier wordt gasolie verbruikt. Gezien de aard van de installaties bedraagt het aantal draaiuren minder dan 500 bedrijfsuren per jaar.

 

Volgende energiebesparende maatregelen wordt genomen door het bedrijf:

- Het nieuwe gebouw zal worden opgebouwd volgens de nieuwe normen op vlak van energie. In het EPB-rapport zullen deze normen worden afgetoetst. Energiemaatregelen worden in functie van deze normen ook geïntegreerd in het project;

- Er wordt oa een beo-veld en zonnepanelen voorzien.

- Goede opleiding van werknemers in efficiënt gebruik van energie;

- Continue opvolging en analyse van het energieverbruik;

- Doven van de lichten tijdens non-activiteit (behalve deze noodzakelijk voor een veilige zichtbaarheid)

 

Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.

Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching. Dit wordt opgenomen als opmerking.

 

Bemaling

aspect afvalwater

Er werd een grondwateranalyse uitgevoerd om na te gaan of er verontreinigingen aanwezig zullen zijn in het bemalingswater. Hieruit blijkt dat enkel de parameter totaal arseen voorkomt in een concentratie hoger dan het indelingscriterium.

Rubriek 3.4.2 wordt aangevraagd voor de tijdelijke lozing van 18,6 m³/uur bemalingswater met een hogere lozingsnorm voor arseen. Voor arseen wordt er een lozingsnorm van 10 keer het indelingscriterium, nl. 50 µg/l aangevraagd.

Het bemalingswater (ca. 34 615 m³ voor 7 maanden) zal geloosd worden op de bestaande regenwaterafvoer die langs de weg van het Technologiepark-Zwijnaarde loopt en uitmondt in de Ringvaart, na toestemming van de waterloopbeheerder ‘De Vlaamse Waterweg nv – Afdeling Bovenschelde’.

 

Het advies van de VMM (Afvalwater) voor de lozing is voorwaardelijke gunstig, de voorgestelde voorwaarde van de VMM worden als bijzondere voorwaarde opgenomen:

- Volgende bijzondere lozingsnorm voor Arseen wordt toegestaan: 50 µg/l

- De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

- Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwantiteit en kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

- Voor de bepaling van het debiet mag de meetmethode conform hoofdstuk 5.53. gebruikt worden. Een staalnamepunt voor het effluent dient voorzien te worden.

- Wekelijks dient een analyse uitgevoerd te worden op de vergunde parameters. Bij vastgestelde overschrijdingen dient een waterzuivering gebruikt te worden.

 

De gevraagde bijstelling van artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II betreffende de plaatsing van de meetgoot wordt conform het advies van de POVC toegestaan. Voor de bepaling van het debiet mag de meetmethode conform hoofdstuk 5.53. gebruikt worden. Een staalnamepunt voor het effluent dient voorzien te worden.

 

aspect bodem en grondwater

De bronbemaling moet voldoen aan onderafdeling 5.53.6.1 van Vlarem II en uitgevoerd worden volgens de richtlijnen bemalingen ter bescherming van het milieu (VMM, 2019).

 

De bemaling wordt uitgevoerd binnen een hydraulisch afgesloten bouwput, waardoor de invloed van de bemaling op het grondwaterpeil en het effect op evt aanwezige mobiele grondwaterverontreinigingen buiten de bouwput verwaarloosbaar zal zijn.

 

Er zal bemaald worden op een diepte van maximaal 9,5 meter voor de lift putten en 7,8 m voor de vloerplaat. Het grondwater zal onttrokken worden aan een debiet van maximaal 18,6 m³/uur. Het grondwater wordt volgens de aanvraag geloosd via de regenwaterafvoer van het gescheiden rioleringsstelsel van het Technologie-park Zwijnaarde in de Ringvaart.

 

Het advies van de VMM (Grondwater) voor de bemaling voor een debiet van maximaal 447 m³/dag en 34.615 m³/jaar opgesplitst als volgt:

* Freatische bemaling:

- Debiet: max. 32.559 m³/jaar en 437 m³/d;

- Filterstelling: 9-12,5 m-mv;

- Watervoerende laag: de Quartaire Aquifersystemen (HCOV 0100);

- Grondwaterlichaam: CVS_0160_GWL_1;

- Verlaging: tot max. -1,23 mTAW (9,5 m-mv).

* Spanningsbemaling:

- Debiet: max. 2.056 m³/j en 10 m³/d;

- Filterstelling: 16-19 m-mv;

- Watervoerende laag: de Ieperiaan Aquifer (HCOV 0800);

- Grondwaterlichaam: CVS_0800_GWL_1;

- Verlaging: tot max. 5,16 mTAW (3,1 m-mv).

is voor een termijn van 1 jaar voorwaardelijke gunstig, de voorgestelde voorwaarde van de VMM (Grondwater) worden als bijzondere voorwaarde opgenomen:

- De start en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan VMM via het mailadres grondwater.ovl@vmm.be met vermelding van het projectnummer (OMV_2021143033).

- De bouwput wordt uitgevoerd met een waterremmende wand met aanzetdiepte op minstens ca. 15 m onder maaiveld (-6,6 mTAW). Een weerstand van min. 500 dagen moet gegarandeerd worden.

- De stand van elke debietmeter wordt minstens volgens volgende frequentie genoteerd in een logboek dat steeds ter inzage ligt op de werf:

- In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal;

- Voor de overige periode: maandelijks.

- Het grondwaterpeil dient opgevolgd te worden in minstens één peilbuis t.h.v de bouwput met minstens één filter in elke laag waaruit gepompt wordt. Het grondwaterpeil wordt opgemeten en genoteerd in een logboek dat ter inzage ligt op de werf, minstens met volgens volgende frequentie:

- Voor opstart van de bemaling: éénmaal;

- In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal;

- Voor de overige periode: maandelijks.

 

retourbemaling

Door de aanwezigheid van verkeerswegen en andere gebouwen is er te weinig ruimte voor retourbemaling. Gezien de bemaling wordt uitgevoerd binnen een hydraulisch afgesloten bouwput zal de invloed van de bemaling op het grondwaterpeil buiten de bouwput verwaarloosbaar zijn.

 

wateroverlast

De lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken. Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

bodem/grondwaterverontreiniging

Tijdens de aanlegfase wordt de bemaling uitgevoerd binnen een hydraulisch afgesloten bouwput. Op die manier zal de invloed van de bemaling op eventuele mobiele grondwaterverontreinigingen verwaarloosbaar zijn.

 

zettingen

Er wordt een waterkerende wand voorzien om geen onaanvaardbare zettingen te creëren.

De exploitant dient alle voorzorgen te nemen om schade aan onroerende goederen binnen de invloedsstraal van een grondwaterwinning te vermijden (bv. zettingen). Dit wordt als opmerking opgenomen.

 

droogte

Studies tonen aan dat onze (grond)watervoorraden onder druk komen en de frequentie van langdurige droogteperiodes stijgt. Tijdelijke bronbemalingen voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, waarbij de grondwatertafel verlaagd wordt kunnen de effecten van droogte versterken. Deze bemalingen dienen daarom beperkt te worden in diepte en tijdsduur tot het strikt noodzakelijke voor de constructie van het beoogde bouwwerk.

 

De bemaling dient te gebeuren binnen de door de exploitant meegedeelde periode van 7 maanden. Om het beperken van de tijdsduur te garanderen, dienen de start- en einddatum van de bemaling via e-mail gemeld te worden aan de diensten Milieu en Klimaat (milieuenklimaat@stad.gent) en Toezicht (toezicht@stad.gent) van de stad Gent met vermelding van het dossiernummer. Deze melding dient te gebeuren op de dag van opstart en de dag van het beëindiging van de bemaling. Ook het eventueel uitstellen van de bemaling naar een andere periode dan de hierboven meegedeelde, dient via e-mail aan dezelfde stadsdiensten meegedeeld te worden. Dit wordt samen met de voorwaarde van de VMM (grondwater) opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

aspect geluid

De pomp zal continu in werking zijn. Het is aangewezen geluidsarme bemalingspompen te voorzien en deze in die mate op te stellen dat de hinder naar omwonenden/nabije kantoren zoveel mogelijk beperkt wordt. Dit wordt conform het advies van de POVC opgenomen als bijzondere voorwaarde.

 

aspect fauna en flora

De ondergrondse volumes worden gerealiseerd binnen een hydraulisch afgesloten bouwput. Hierdoor wordt volgens de bemalingsnota geen effect verwacht op de aanwezige biologisch waardevolle (bos)vegetaties binnen de campus. Om dit te verifiëren dient de grondwaterstand van de boszones (zowel links als rechts van het project) gemonitord te worden. Tijdens de verwachte 7 maanden lopende bemalingsactiviteiten, kan bij aanhoudende droogte van 10 dagen zonder regen, het bos binnen de invloedsfeer bevloeid worden. Er wordt aangeraden dat het bemalingswater via een aanwezige regenwaterafvoer in de Ringvaart te lozen. Een deel van het lozingswater kan in de droge periode (maart tot oktober) zeker deels geretourneerd worden in de aanwezige boszones. In functie van de te monitoren grondwaterpeilen in de boszones (significante daling of niet), dient bemalingswater gestuurd te worden naar de boszones (uiteraard indien de waterkwaliteit voldoet, wat ook zal worden geanalyseerd). De wadi kan ook uitgegraven worden voorafgaand de bouwput, zodat ook naar deze laagte water kan gestuurd worden om opnieuw te infiltreren.

Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubrieken worden gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het tijdelijk lozen van bemalingswater met een totaal maximaal debiet van 18,6 m³/uur, 447,3 m³/dag en 34.615 m³/jaar op de regenwaterafvoer van het gescheiden rioleringsstelsel van het Technologie-park Zwijnaarde dat uitmondt in de Westelijke Ringvaart. | Nieuw

18,6 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 2.800 liter. | Nieuw

2800 liter

12.2.1°

transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 1.000 kVA (Totaal: 2.000 kVA) | Nieuw

2000 kVA

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 2.500 kVA (Totaal: 5.000 kVA) | Nieuw

5000 kVA

12.3.2°

Accumulatoren: vaste inrichting voor het laden van accumulatoren (meer dan 10 kW) - uitgezonderd laadpalen | Diverse batterijladers met een totaal vermogen van 18,7 kW | Nieuw

18,7 kW

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | 1 laad- en losplaats voor bedrijfsvoertuigen en 3 stalplaatsen voor 2 forkliften en 1 kuismachine. | Nieuw

4 aantal voertuigen

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) | Diverse koelinstallaties/airco's met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 3111,5 kW en 2 persluchtcompressoren met een drijfkracht van 2 x 11 kW. | Nieuw

3133,5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijke waterinhoudsvermogen van 3.336 liter. | Nieuw

3336 liter

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een totale opslagcapaciteit van 400 kg. | Nieuw

400 kg

53.2.2°b)2°

bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, in een ander gebied dan de gebieden vermeld in punt 1°  met een netto opgepompt debiet van meer dan 30 000 m³ per jaar en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt meer dan vier meter onder maaiveld | Bronbemaling i.k.v. technische werken met een totaal debiet van 34.615 m³/jaar. | Nieuw

34615 m³/jaar


Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen. 

Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies van de provinciale omgevingsvergunnings commissie en het bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het bouwen en exploiteren van een labo-testgebouw en kantoren met ondergrondse parking en omgevingsaanleg aan Daikin Europe N.V. nv (O.N.:0412120336) gelegen te Technologiepark-Zwijnaarde , 9052 Zwijnaarde.

De door het college vergunde plannen zijn de plannen die op de overzichtslijst staan, die is toegevoegd als bijlage aan deze vergunning en er integraal deel van uitmaakt.

Plannen die niet op deze overzichtslijst staan, maken geen deel uit van de vergunning.

Controleer steeds of het om een goedgekeurd plan gaat.

Opgelet, er kunnen voorwaarden betrekking hebben op de plannen.

 

De rubrieken voor de inrichting/activiteit Daikin testcentrum en kantoren met inrichtingsnummer 20210629-0086 beslist het college als volgt:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | Het tijdelijk lozen van bemalingswater met een totaal maximaal debiet van 18,6 m³/uur, 447,3 m³/dag en 34.615 m³/jaar op de regenwaterafvoer van het gescheiden rioleringsstelsel van het Technologie-park Zwijnaarde dat uitmondt in de Westelijke Ringvaart. | Nieuw

18,6 m³/uur

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Opslag van brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 2.800 liter. | Nieuw

2800 liter

12.2.1°

transformatoren met een individueel nominaal vermogen van 100 kVA tot en met 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 1.000 kVA (Totaal: 2.000 kVA) | Nieuw

2000 kVA

12.2.2°

transformatoren (gebruik van) met een individueel nominaal vermogen van meer dan 1.000 kVA | 2 transformatoren: 2 x 2.500 kVA (Totaal: 5.000 kVA) | Nieuw

5000 kVA

12.3.2°

Accumulatoren: vaste inrichting voor het laden van accumulatoren (meer dan 10 kW) - uitgezonderd laadpalen | Diverse batterijladers met een totaal vermogen van 18,7 kW | Nieuw

18,7 kW

15.1.1°

stallen van 3 tot en met 25 autovoertuigen en/of aanhangwagens, andere dan personenwagens | 1 laad- en losplaats voor bedrijfsvoertuigen en 3 stalplaatsen voor 2 forkliften en 1 kuismachine. | Nieuw

4 aantal voertuigen

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) | Diverse koelinstallaties/airco's met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 3111,5 kW en 2 persluchtcompressoren met een drijfkracht van 2 x 11 kW. | Nieuw

3133,5 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijke waterinhoudsvermogen van 3.336 liter. | Nieuw

3336 liter

17.4.

opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l | Opslag van gevaarlijke producten in kleine recipiënten met een totale opslagcapaciteit van 400 kg. | Nieuw

400 kg

53.2.2°b)2°

bronbemaling, met inbegrip van terugpompingen van onbehandeld en niet-verontreinigd grondwater in dezelfde watervoerende laag, die technisch noodzakelijk is voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, in een ander gebied dan de gebieden vermeld in punt 1°  met een netto opgepompt debiet van meer dan 30 000 m³ per jaar en de verlaging van het grondwaterpeil bedraagt meer dan vier meter onder maaiveld | Bronbemaling i.k.v. technische werken met een totaal debiet van 34.615 m³/jaar. | Nieuw

34615 m³/jaar

      

Artikel 2

De gevraagde vergunning kan verleend worden voor onbepaalde duur.

Rubriek 53.2.2°b)2° wordt verleend voor een termijn van 1 jaar. De termijn begint te lopen vanaf de datum van opstart bemalingswerken. Deze datum dient gemeld te worden conform de bijzondere voorwaarde.

Dit doet geen afbreuk aan de geldigheidsduur (verval) van voorliggende vergunning (Omgevingsvergunningsdecreet - hoofdstuk 8, afdeling 1). 

Artikel 3

Legt volgende voorwaarden op:


Bijzondere voorwaarde voor de geplande werken:

 

Externe adviezen

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Brandweerzone Centrum (30 december 2021 onder ref. 063352-009/DVDS/2021) moeten strikt worden nageleefd:
Bijzondere aandachtspunten :

  • Één trappenhuis (noordelijke)komt uit in de overdekte fietsenstalling die is afgesloten met hekwerk. Het ander (zuidelijke) trappenhuis komt uit in het overdekt gedeelte. De afstand tot de openlucht is groter dan de hoogte van de overkapping.
  • De plannen voldoen niet aan de voorschriften van deelcompartimentering. Er mag geen scheiding (scheidingswand El 120) zijn tussen de verschillende delen van een parkeerbouwlaag. Het parkeercompartiment is bijgevolg groter dan 5.000 m². Een RWA installatie moet worden geplaatst.

Besluit milieutechnische aspecten: GUNSTIG, mits te voldoen aan de hiervoor vermelde maatregelen en reglementeringen.

Een advies van de ASTRID-veiligheidscommissie is vereist.

Het beëindigen van de werken moet gemeld worden aan de brandweer via de website www.brandweerzonecentrum.belpreventÍe teneinde een controlebezoek te kunnen laten plaatsvinden.


-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Agentschap Wegen en Verkeer afgeleverd op 8 november 2021 moeten strikt worden nageleefd. 

 

-       De voorwaarden opgenomen in het advies van Vlaamse Milieumaatschappij – Advisering Afvalwater afgeleverd op 7 december 2021 moeten strikt worden nageleefd.

De voorwaarden opgenomen in het advies van  Vlaamse Milieumaatschappij – Advisering Grondwater afgeleverd op 24 december 2021 met ref: OVL-02053-A moeten strikt worden nageleefd. 

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van FARYS op 11 januari 2022 onder ref. AD-21-1379 – 2de advies moeten strikt worden nageleefd. 

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie van de Civiele Veiligheid afgeleverd op 9 november 2021 onder ref. 5885 moet strikt worden nageleefd. 

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Directie Vliegvelden en Vliegverkeersregels Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer afgeleverd op 22 november 2021 onder ref. OBST/2021/410 moet strikt worden nageleefd. 

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Departement Mobiliteit en Openbare Werken afgeleverd op 1 december 2021 moeten worden nageleefd.

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Fluvius System Operator afgeleverd op 22 november 2021 onder ref. 360948 moet worden nageleefd. 

 

-      De voorwaarden opgenomen in het advies van Agentschap Natuur en Bos afgeleverd op 4 februari 2022 met kenmerk 22-202283 moeten worden nageleefd. 

  • de grondwaterstand van de boszones (zowel links als rechts van het project) dient gemonitord te worden. In functie van de grondwaterpeilen (significante daling of niet) in de boszones, dient bemalingswater gestuurd te worden naar de boszones (uiteraard indien de waterkwaliteit te voldoen, wat moet worden geanalyseerd).  
  • bij aanhoudende droogte van 10 dagen zonder regen in de droge periode (maart tot oktober) dient het bos binnen de invloedsfeer bevloeid te worden. Een deel van het lozingswater kan zeker deels geretourneerd worden in de aanwezige boszones. 
  • de wadi wordt uitgegraven voorafgaand de bouwput, zodat ook naar deze laagte water kan gestuurd worden om opnieuw te infiltreren. 

 

Boscompensatie

De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk:  22-202283.

 

De te ontbossen oppervlakte bedraagt 150m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet. 

 

De aanwezige vegetatie in de gracht en de noordwestelijk hoek van het projectgebied mag slechts worden verwijderd buiten het broedseizoen (15 maart tem 15 juli).

Alle van nature in het wild levende vogelsoorten en vleermuizen zijn beschermd in het Vlaamse Gewest op basis van het Soortenbesluit van 15 mei 2009. De bescherming heeft onder meer betrekking op de nesten van de vogels en de rustplaatsen van de vleermuizen (artikel 14 van het Soortenbesluit). Bij het uitvoeren van werken in de periode 1 maart tot 1 juli moet men er zich - vóór men overgaat tot de uitvoering van de werken - van vergewissen dat geen nesten van beschermde vogelsoorten beschadigd, weggenomen of vernield worden. Bij het werken aan (oude) constructies of het kappen van bomen dient men na te gaan vóór de werken beginnen of vleermuizen aanwezig zijn. Als nesten of rustplaatsen in het gedrang komen, dient u contact op te nemen met het Agentschap voor Natuur en Bos via het algemeen e-mail adres van AVES.

 

Omgevingsaanleg

De brandweerweg in de voorzone moet gedeeltelijk in grasdallen worden uitgevoerd en niet integraal in betonverharding (zie plan).

 

De groenzones aangeduid op de plannen moeten effectief van een groenaanleg worden voorzien.

 

Waterhuishouding

Verharding

Alle verhardingen (uitgezonde verharding waarvan het hemelwater aanzien wordt als afvalwater) dienen aangelegd in waterdoorlatende verharding of verhardingen die natuurlijk afstromen. Deze verhardingen dienen te voldoen aan volgende voorwaarden:

-       waterdoorlatende verharding:

Het geheel van waterdoorlatende verharding en fundering dient blijvend een even goede doorlatendheid te hebben als een reguliere infiltratievoorziening.  Er mag geen enkele vorm van versnelde waterafvoer aanwezig zijn (geen drainageleidingen, goten, afvoerkolken (andere dan noodafvoer-/overstortkolken), hellingen, …). De verharding wordt niet in helling aangelegd (minder dan 0,5 %) en er worden opstaande randen voorzien die het water op de waterdoorlatende verharding houden tenzij de waterdoorlatende verharding kan afwateren naar een gras- of groenstrook met een oppervlakte die minstens 15 % van de verharde oppervlakte bedraagt.

 

-      natuurlijke infiltratie:

Verhardingen of overdekte constructies moeten afvloeien naar een voldoende grote onverharde oppervlakte (op eigen terrein) waar natuurlijke infiltratie kan plaatsgrijpen. De onverharde oppervlakte moet minimaal 1/3 van de oppervlakte van de verharding of constructie zijn, uitgewerkt met een maaiveldverlaging van 30 cm (wadi). 

De constructies mogen niet voorzien worden van goten.

 

Natuurlijke infiltratie en waterdoorlatende verhardingen mogen niet leiden tot wateroverlast bij derden.

 

Hemelwaterput

De hemelwaterput moet voorzien zijn van een operationeel pompsysteem dat hergebruik mogelijk maakt, dit is niet af te lezen op de plannen.

Er dient maximaal worden ingezet op hergebruik van hemelwater. Het water dient minimaal gebruikt te worden voor gebruikt voor de toiletspoeling en/of andere laagwaardige toepassingen (reinigen lokalen, onderhoud,…). Daarnaast dient het hergebruik van hemelwater ook uitgebreid worden naar het productieproces (demi-water, drycooler, …).

 

Groendak

Het groendak op de lagergelegen daken (min. 440 m²) moet zo opgebouwd worden dat het begroeid kan worden met planten en waar er onder de planten een buffervolume voorzien is van minimaal 35 l/m².

 

Er wordt een afwijking verleend voor de aanleg van een groendak op de hoger gelegen daken, op voorwaarde dat conform het plan de daken worden vol gelegd met zonnepanelen en technische infrastructuur.

 

Infiltratievoorziening

De wadi dient bij ingebruikname van het gebouw beschikbaar te zijn.

 

Om infiltratie toe te laten dient de gemiddelde hoogste grondwaterstand idealiter dieper gelegen te zijn dan de infiltratievoorziening.

De eventuele overloop moet boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand gelegen zijn, aangezien de infiltratievoorziening anders als drainage fungeert.

 

Ondergrondse constructie

De aanleg van de ondergrondse constructie mag er geenszins voor zorgen dat er een permanente drainage optreedt met lagere grondwaterstanden tot gevolg. Een dergelijke permanente drainage is immers in strijd met de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid waarin is opgenomen dat verdroging moet voorkomen worden, beperkt of ongedaan gemaakt. De ondergrondse parking dient dan ook uitgevoerd te worden als volledig waterdichte kuip en zonder kunstmatig drainagesysteem.

 

Afvalwater

Het afvalwater dat afkomstig is van de keuken moet via een genormeerde vetafscheider (NEN-EN 1825 / DIN 4040) of gelijkwaardig geloosd worden.

 

Grondwater/Bodem

Voor het gebied werd een beschrijvend bodemonderzoek opgemaakt. Er moet tijdens de werken (afgravingen, bemalingen,…) dan ook rekening gehouden worden met de conclusies en eventuele voorwaarden die zijn opgenomen in het onderzoek voor zover ze van toepassing zijn op de werken in de aanvraag.

 

Mobiliteit

Er moeten naast het SPITS-verhaal bijkomende inspanningen leveren om de voorziene ambitieuze modal split te behalen. Hiervoor moet beroep gedaan worden op de milderende maatregelen opgenomen in de bijgevoegde MOBER.

 

Toegankelijkheid

De aanvraag moet blijvend in overeenstemming zijn met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid. De voorwaarden opgenomen in het advies van Inter van 10/06/2021 moeten worden nageleefd.

 

Lichtplan

De verlichting moet sober en stabiel zijn (niet flikkerend op dynamisch), met zachtgekleurd licht. Dergelijke van binnenuit verlichte reclames en uithangborden geven op de aanliggende gevels en openbaar domein niet meer licht dan 2 lux. Bij aangelichte reclames is het licht goed en enkel gericht op de reclame zelf; deze ontvangt maximaal een lichthoeveelheid van 10 lux.

 

Om alle vormen van lichthinder of lichtvervuiling tegen te gaan, wordt opgelegd om een dimmer te voorzien op de LED-lichtinstallatie. Bij vermoeden/melding van lichthinder zal ter plaatse geëvalueerd en bepaald worden hoeveel de lichtinstallatie moet gedimd worden (conform bestaande normen en richtlijnen).  

 

Riolering

De aansluiting op het rioleringsnet is verplicht.

 

De afvoer van het regen- en afvalwater moeten op kosten en op risico van de bouwheer, binnen zijn eigen terrein uitgevoerd worden. Het afvoeren kan hetzij door natuurlijke afloop, hetzij door oppompen.

 

De bijzondere aandacht wordt gevestigd op :

* De openbare riolering kan onder druk komen tot het maaiveld niveau, wat neerkomt op een stijging van het waterpeil in de buizen en de aansluitingen (code van goede praktijk voor rioleringssystemen : www.vmm.be/wetgeving/code-van-goede-praktijk-voor-rioleringssystemen).

De bouwheer moet hier dan ook rekening mee houden bij de aanleg van (en de aansluitingen op) zijn privéwaterafvoer. Het Stadsbestuur kan onder geen enkele voorwaarde aansprakelijk gesteld worden voor schade door wateroverlast die een gevolg is van een onoordeelkundige aanleg van de privéwaterafvoer.

* Door de aanleg van gescheiden rioleringsstelsels, zowel op openbaar als op privaat domein, kan er sneller geurhinder ontstaan als gevolg van het geconcentreerde (onverdunde) afvalwater.

De aanvrager dient bij geurhinder op eigen initiatief en kosten elke instroomopening op zijn privéwaterafvoer door middel van een waterslot geurdicht af te schermen.

Om geurhinder als gevolg van de eigen private riolering te reduceren werden er enkele richtlijnen opgesteld, die u via deze link kan terugvinden: www.farys.be/richtlijnengeurhinder.

 

De interne riolering moet zo ontworpen worden dat een aansluiting op het gescheiden rioleringsstelsel mogelijk is (afzonderlijke aansluitingen voor regenwater en afvalwater).

Het is toegestaan het regenwater ter plaatse te laten infiltreren.

 

De keuring van de privéwaterafvoer is verplicht volgens het Algemeen Waterverkoopreglement bij aanbouw en/of het voorzien van een nieuwe aansluiting. Meer informatie vindt u op www.farys.be/keuring-privewaterafvoer

 

Er moet blijvend voorzien worden in een septische put waarbij (enkel) alle fecaliën aangesloten dienen te worden vooraleer de overloop daarvan terecht komt op het interne DWA-rioleringsstelsel.

 

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

1. Om geluidshinder en luchtverontreiniging te voorkomen, moeten de motoren van de bedrijfsvoertuigen tijdens wachtperioden en laad- en losoperaties stilgelegd worden, tenzij het noodzakelijk is voor de aandrijving van pompen, kranen, hefbruggen, e.d…

2. Bemaling - afvalwater

- Volgende bijzondere lozingsnorm voor Arseen wordt toegestaan: 50 µg/l

- De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II.

- Het bedrijf dient te beschikken over een controle inrichting die alle waarborgen biedt om de kwantiteit en kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters te nemen van het geloosde water, overeenkomstig art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II.

- Voor de bepaling van het debiet mag de meetmethode conform hoofdstuk 5.53. gebruikt worden. Een staalnamepunt voor het effluent dient voorzien te worden.

- Wekelijks dient een analyse uitgevoerd te worden op de vergunde parameters. Bij vastgestelde overschrijdingen dient een waterzuivering gebruikt te worden.

3. Bemaling

a. De start en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan VMM via het mailadres grondwater.ovl@vmm.be en aan de diensten Milieu en Klimaat (milieuenklimaat@stad.gent) en Toezicht (toezicht@stad.gent) van de stad Gent met vermelding van het dossiernummer (OMV_2021143033). Deze melding dient te gebeuren op de dag van opstart en de dag van het beëindiging van de bemaling. Ook het eventueel uitstellen van de bemaling naar een andere periode.

b. De bouwput wordt uitgevoerd met een waterremmende wand met aanzetdiepte op minstens ca. 15 m onder maaiveld (-6,6 mTAW). Een weerstand van min. 500 dagen moet gegarandeerd worden.

c. De stand van elke debietmeter wordt minstens volgens volgende frequentie genoteerd in een logboek dat steeds ter inzage ligt op de werf:

- In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal;

- Voor de overige periode: maandelijks.

d. Het grondwaterpeil dient opgevolgd te worden in minstens één peilbuis t.h.v de bouwput met minstens één filter in elke laag waaruit gepompt wordt. Het grondwaterpeil wordt opgemeten en genoteerd in een logboek dat ter inzage ligt op de werf, minstens met volgens volgende frequentie:

- Voor opstart van de bemaling: éénmaal;

- In de eerste week en telkens na instelling van een dieper bemalingspeil: vijfmaal;

- Voor de overige periode: maandelijks.

e. De lozing van het opgepompte grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.

f. De bemalingspompen dienen zodanig opgesteld te worden dat de hinder naar omwonenden/nabije kantoren beperkt blijft.

g. fauna en flora

- de grondwaterstand van de boszones (zowel links als rechts van het project) dient gemonitord te worden. In functie van de grondwaterpeilen (significante daling of niet) in de boszones, dient bemalingswater gestuurd te worden naar de boszones (uiteraard indien de waterkwaliteit voldoet, wat ook zal worden geanalyseerd).

- bij aanhoudende droogte van 10 dagen zonder regen in de droge periode (maart tot oktober) dient het bos binnen de invloedsfeer bevloeid te worden. Een deel van het lozingswater kan zeker deels geretourneerd worden in de aanwezige boszones.

- de wadi wordt uitgegraven voorafgaand de bouwput, zodat ook naar deze laagte water kan gestuurd worden om opnieuw te infiltreren.


Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Artikel: 4.2.5.1.1. § 1: Voor de bepaling van het debiet mag de meetmethode conform hoofdstuk 5.53. gebruikt worden. Een staalnamepunt voor het effluent dient voorzien te worden.

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

Artikel 4

Wijst de aanvrager op volgende aandachtspunten:


Afval

De voortgebrachte afvalstoffen (pmd, papier en karton, KGA, glas, AEEA, afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten,…) worden volgens VLAREMA (Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) beschouwd als bedrijfsafval. VLAREMA stelt dat bedrijfsafval gescheiden ingezameld moet worden en opgehaald moet worden door een erkende inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor verdere verwerking door een erkende verwerker. Het is ook verplicht om een afvalstoffenregister bij te houden.

 

De constructie van de ruimten waar afvalstoffen tijdelijk zijn opgestapeld is zodanig dat accidenteel uit bepaalde recipiënten ontsnappende vloeistoffen, morsvloeistoffen en uitlogingen op een adequate wijze kunnen verwijderd worden.

Het is verboden afvalstoffen in brand te steken of te verwijderen door lozing.

Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen anders dan door afvoer.

 

Afvalwater

Nonylfenol is een schadelijke stof (giftig voor in waterlevende organisme, hormoonverstoorder,…) is die niet meer verkocht of gebruikt mag worden sinds 2005 in de Europese Unie (tenzij in uitzonderlijke gevallen). Lozing van deze stof dient opgevolgd en vermeden te worden.

 

Transformator

Er worden 4 transformatoren (2x 1 000 kVA en 2x 2 500 kVA) in een aparte lokalen voorzien. Indien oliegekoelde transformatoren geplaatst dient een opvangbak voor eventuele lekken wordt voorzien.

 

BEO veld

Het BEO-veld is dus niet ingedeeld volgens Vlarem II, maar in hoofdstuk 6 van Vlarem II is hiervoor wel reglementering opgenomen.

 

Gasflessen

De volle en lege gasflessen dienen apart gestockeerd te worden en er dient rekening gehouden te worden met de afstandsregels conform artikel 5.17.3.2.4. van Vlarem II.

De gasflessen moeten steeds met behulp van beugels of kettingen beschermd worden tegen omvallen.

 

Koelinstallatie

De koelinstallaties dienen onderhouden te worden overeenkomstig artikel 5.16.3.3.§3 van Vlarem II. Voor airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW houdt dit onder meer in dat ze regelmatig moeten worden gekeurd door een erkende airco-energiedeskundige overeenkomstig VLAREL.

De exploitant moet het relatief lekverlies (kg toegevoegd koelmiddel ten opzichte van totale koelmiddelinhoud installatie) te allen tijden beperken tot 5% per jaar (artikel 5.16.3.3.§6 van Vlarem II). Afhankelijk van de aard en inhoud van het gebruikte koelmiddel moeten de nodige lekdichtheidscontroles worden uitgevoerd. Een logboek moet bijgehouden worden.

 

Energie

Het bedrijf komt in aanmerking voor energiecoaching van de stad Gent. De energiecoach geeft professioneel advies op maat voor zowel renovaties, nieuwbouw of voor een algemene verlaging van het energieverbruik binnen het bedrijf.

Contact en meer info: Energiecoaching@stad.gent of 09 268 23 00 of http://www.stad.gent/energiecoaching.

 

Bemaling - Zettingen

De exploitant dient alle voorzorgen te nemen om schade aan onroerende goederen binnen de invloedsstraal van een grondwaterwinning te vermijden (bv. zettingen).

 

Bodem

Indien grondverzet plaatsvindt, moet dit gebeuren overeenkomstig de regels m.b.t. het gebruik van de uitgegraven bodem (Hoofdstuk XIII VLAREBO). Als algemeen principe geldt dat voor iedere partij reeds uitgegraven bodem die groter is dan 250 m³ en die niet ter plaatse wordt gebruikt, een technisch verslag moet opgemaakt worden. Deze verplichting geldt ook voor een partij samengesteld uit verschillende partijen uitgegraven bodem kleiner dan 250 m³ waarvoor er geen verplichting tot technisch verslag was, en ook voor een partij groter dan 250 m³ die in verschillende partijen kleiner dan 250 m³ wordt afgevoerd en gebruikt (artikel 173, §2).

Meer info over grondverzet kan verkregen worden bij de infolijn van de OVAM op 015/284.284 en 015/284.459.

 

Lichtplan

A. Algemene voorschriften vanuit het Lichtplan:

Goede verlichte reclames en uithangborden, zowel deze die aangelicht worden als deze die van binnenuit verlicht zijn, hebben een sobere, stabiele (niet flikkerende of dynamische) verlichting, met wit of zachtgekleurd licht. Dergelijke van binnenuit verlichte reclames en uithangborden geven op de aanliggende gevels en openbaar domein niet meer licht dan 2 lux. Bij aangelichte reclames is het licht goed en enkel gericht op de reclame zelf; deze ontvangt maximaal een lichthoeveelheid van 10 lux. Bij van binnenuit verlichte reclames verdient verlichting met negatief contrast (door het uitsnijden letters of figuren uit een donker vlak) de voorkeur. Andere van binnenuit verlichte reclames bevinden zich bij voorkeur onder de ramen van de eerste verdieping. Het gebruik van LED’s voor de verlichting van reclames is meer dan wenselijk gelet op de vele voordelen daarvan (laag verbruik, lange levensduur, goede zichtbaarheid zonder te veel te verlichten).

 

B. algemene voorschriften vanuit de bestaande regelgeving:

Voor de intensiteit van aan te brengen verlichting, verwijzen we naar:

 

*Vlarem 2

Deel 4: algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen

Hoofdstuk 4.6 beheersing van hinder door licht:

 

• (artikel 4.6.01) Onverminderd andere reglementaire bepalingen treft de exploitant de nodige maatregelen om lichthinder te voorkomen.

• (artikel 4.6.02) Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

• (artikel 4.6.03) Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.

• (artikel 4.6.04) Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.

 

*Artikel 80.2 (lid 1) van de wegcode

 

• Artikel 80.2 van de wegcode verbiedt het aanbrengen op de openbare weg van reclameborden, uithangborden of andere inrichtingen die de bestuurders verblinden, die hen in dwaling brengen, die, zij het ook maar gedeeltelijk, verkeersborden voorstellen of nabootsen, die van verre met deze verkeersborden worden verward, of die op enige andere wijze de doelmatigheid van de reglementaire verkeersborden verminderen.

 

• Indien het gaat om verlichting die wordt aangevraagd in de buurt van verkeerslichten, geldt ook volgende  regel uit Artikel 80.2 lid 1 Wegcode: Het is verboden een luminositeit met een rode of groene tint te geven aan alle reclameborden, uithangborden of inrichtingen die zich, binnen een afstand van 75 meter van een verkeerslicht, op minder dan 7 meter boven de grond bevinden.

 

C. Voor dit dossier zijn volgende specifieke voorschriften van toepassing:

• Om alle vormen van lichthinder of lichtvervuiling tegen te gaan, wordt opgelegd om een dimmer te voorzien op de LED-lichtinstallatie. Bij vermoeden/melding van lichthinder zal ter plaatse geëvalueerd en bepaald worden hoeveel de lichtinstallatie moet gedimd worden (conform bestaande normen en richtlijnen).  

 

• Geen dynamische of flikkerende verlichting te gebruiken. Dit geldt ook voor LED-schermen die achter glas worden geplaatst, en zichtbaar zijn vanop openbaar domein.  Als regel wordt vooropgesteld dat een bepaalde lichtkleur of lichtbeeld (vanaf valavond) minstens 15 seconden vast moet blijven staan, alvorens naar een ander statisch verlicht beeld of kleur over te springen.

 

• De commerciële verlichting wordt bij voorkeur gedoofd bij sluitingstijd van de handelszaak (of na de kantooruren), of ten laatste om 24u (tenzij de handelszaak nog open is na 24u). NB Zo ook wordt de monument- en sfeerverlichting in Gent gedoofd om 24u (uitgezonderd de 3 torens van Gent).