Terug
Gepubliceerd op 11/02/2022

2022_CBS_01474 - OMV_2021166803 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH) - zonder openbaar onderzoek - Pantserschipstraat 301 en 331, 9000 Gent - Advies

college van burgemeester en schepenen
do 10/02/2022 - 08:31 Virtueel - Via Microsoft Teams
Datum beslissing: do 10/02/2022 - 09:03
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Tine Heyse

Aanwezig

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter; Filip Watteeuw, schepen; Sofie Bracke, schepen; Elke Decruynaere, schepen; Astrid De Bruycker, schepen; Sami Souguir, schepen; Tine Heyse, schepen; Isabelle Heyndrickx, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Hafsa El-Bazioui, schepen; Rudy Coddens, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Luc Kupers, adjunct-algemeendirecteur

Secretaris

Danny Van Campenhout, adjunct-algemeendirecteur

Voorzitter

Mathias De Clercq, burgemeester-voorzitter
2022_CBS_01474 - OMV_2021166803 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH) - zonder openbaar onderzoek - Pantserschipstraat 301 en 331, 9000 Gent - Advies 2022_CBS_01474 - OMV_2021166803 - aanvraag omgevingsvergunning voor het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH) - zonder openbaar onderzoek - Pantserschipstraat 301 en 331, 9000 Gent - Advies

Motivering

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 56.
Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 24 en 42.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen geeft voorwaardelijk gunstig advies.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

De heer Jannes Colaert met als contactadres Pantserschipstraat 331, 9000 Gent en SHELL CATALYSTS & TECHNOLOGIES BELGIUM NV met als contactadres Pantserschipstraat 331, 9000 Gent hebben een aanvraag (OMV_2021166803) ingediend bij de deputatie op 16 december 2021.

 

De aanvraag omgevingsvergunning met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH)

• Adres: Pantserschipstraat 301 en 331, 9000 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 13 sectie S nrs. 320Y, 320H2, 320G2 en 320K2

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 10 januari 2022.

De deputatie heeft het college van burgemeester en schepenen om advies gevraagd op 10 januari 2022.

De aanvraag volgde de vereenvoudigde procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 1 februari 2022.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

De aanvraag betreft een gecombineerde omgevingsvergunningsaanvraag met stedenbouwkundige handelingen en een ingedeelde inrichting of activiteit.

 

Beschrijving van de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen

De aanvraag omvat het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH).

De percelen maken deel uit van de Shell Catalysts & Technologies Belguim NV site en zijn toegankelijk via de Pansterschipstraat. De percelen grenzen ten noorden aan de ringvaart en ten zuiden westen aan spoorlijnen.

De directe omgeving van de aanvraag wordt gekenmerkt door industrie in een havenlandschap.

De stedenbouwkundige handelingen omvatten:
- Het slopen van vrijstaande 3 opslagtank
- Het plaatsen van een nieuwe verbrandingsinstallatie.
 

Opslagtank 1

Afbraak van de vrijstaande verouderde opslagcontainer ( Ø 26,10 m h 14,12 m), inclusief bijhorende funderingen, kooiladder en borstwering. De constructie heeft een oppervlakte van ca. 535,09 m² en een volume van 7555,47 m³. De nokhoogte en kroonlijsthoogte van de bestaande constructie zijn beiden 14,12 m.

Opgevangen hemelwater wordt momenteel via de bestaande verharding afgeleid naar het bestaande rioleringsstelsel. De opening, na de afbraak van de funderingen, op de bodem van de kuip wordt hersteld met een verharding, analoog aan de bestaande kuip, van ca. 535,09 m².

 

Opslagtank 2

Afbraak van de vrijstaande verouderde opslagcontainer ( Ø 8,93 m h 7,36 m), inclusief bijhorende kooiladder en borstwering. De constructie heeft een oppervlakte van 62,64 m² en een volume van ca. 2255,04 m³. De nokhoogte en kroonlijsthoogte van de bestaande constructie zijn beiden 7,36 m.

Opgevangen hemelwater wordt momenteel via de bestaande verharding afgeleid naar het bestaande

rioleringsstelsel. Na verwijderen van de opslagtank blijft de bodem van de kuip behouden. Opgevangen hemelwater wordt via de bestaande verharding afgeleid naar het bestaande rioleringsstelsel.

 

Opslagtank 3

Afbraak van de vrijstaande verouderde opslagcontainer. De constructie heeft een oppervlakte van 7,00 m² en een volumen van 15,47 m³. De nokhoogte en kroonlijsthoogte van de bestaande constructie zijn beiden 2,21 m. Opgevangen hemelwater wordt momenteel via de bestaande verharding afgeleid naar het bestaande rioleringsstelsel.

Na verwijderen van de opslagtank blijft de bodem van de kuip behouden. Opgevangen hemelwater wordt via de bestaande verharding afgeleid naar het bestaande rioleringsstelsel.

 

Nieuwe verbrandingsinstallatie VTK 15

Op de locatie van de voormalige opslagtank 2 wordt een nieuwe verbrandingsinstallatie (VTK 15) voorzien. De constructie heeft een oppervlakte van 20,31 m² en een volumen van ca. 75,15 m³. De nokhoogte en kroonlijsthoogte van de bestaande constructie zijn beiden ca. 3,70 m. De vrijstaande installatie wordt aangesloten op het naastliggende leidingennet.

 

Ter hoogte van road 4 wordt een nieuwe toegang naar de bundwall voorzien.

 

 

Reliëfwijziging
Verder wordt een regularisatie gevraagd voor reeds uitgevoerde reliëfwijzigingen aan perceel 320g2. 8235.85 m² onderging een reliëfwijziging waarbij het grondpeil werd genivelleerd tot op gelijke hoogte met de aanpalende wegenis road no 5 (ca. -0.22 m). De overtollige grond, het eindproduct van de nivelleringswerken, werd ten zuidoosten van het perceel opgeslagen tot een tallud met breedte 10,70 m, lengte 94,31 m en een hoogte van ca. 0.53 m.

Het terrein ligt niet in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of overstromingsgevoelig gebied, de aard of functie van het terrein wijzigt niet.

Het volume van de reliëfwijziging is groter dan dertig kubieke meter per goed en de hoogte of diepte van de reliëfwijziging is op bepaalde punt groter dan een halve meter. De reliëfwijziging strekt niet tot het geheel of gedeeltelijk dempen van grachten of waterlopen en belemmert de natuurlijke waterafloop tussen percelen niet.

 


Beschrijving van de aangevraagde inrichtingen of activiteiten

Het betreft het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren.

 

Volgende rubrieken worden aangevraagd:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

6.4.1°

opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen met een totale opslagcapaciteit van 200 l tot en met 50.000 l | Toename in opslag van brandbare vloeistoffen | klasse 3 | Verandering

8000 liter

16.3.2°b)

koelinstallaties, luchtcompressoren, warmtepompen en airconditioningsinstallaties (meer dan 200 kW) | Wijzigingen in airco's | klasse 2 | Verandering

29,85 kW

17.1.2.1.2°

opslagplaatsen voor gevaarlijke gassen in verplaatsbare recipiënten, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 1000 liter tot en met 10.000 liter | Afname in opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten | klasse 2 | Verandering

-938 liter

17.3.4.3°

bijtende vloeistoffen en vaste stoffen, opslagplaatsen voor vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering gekenmerkt door het gevarenpictogram GHS05 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton | Herindeling van producten waardoor er een toename in hoeveelheid is | klasse 1 | Verandering

38 ton

17.3.6.3°

schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen op basis van etikettering met gevarenpictogram GHS07 met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 100 ton | Herindeling van producten waardoor er een toename in hoeveelheid is | klasse 1 | Verandering

44 ton

31.1.1°a)

stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 2.000 kW, als de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied | Vervangen generator | klasse 3 | Verandering

-52 kW

43.1.3°

stookinstallaties meer dan 5000 kW | Verwijderen van tijdelijke stoomketel van 3.000 kW en plaatsen van 2 nieuwe verwarmingsinstallaties van elk 65 kW | klasse 1 | Verandering

-2870 kW

 

Volgende rubrieken zijn ongewijzigd:

3.4.3° | - Het lozen van max. 690 m³/uur, 3.040 m³/d, 593.000 m³/j bedrijfsafvalwater in een oppervlaktewater (Ringvaart- LP1)

- Het lozen van bedrijfsafvalwater met een maximum debiet van 0,01 m³/uur, 0,2 m³/d, 59 m³/j in de openbare riolering die uitmondt in de Kanaal Gent-Terneuzen (Lozingspunt G) | 690,01 m³/uur

3.6.1. | Het lozen van 3 m³/uur- 5.400 m³/jaar huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering | 5400 m³/jaar

3.6.3.2° | De zuivering en de lozing van maximaal 50 m³/uur, 1200 m³/dag en 30.000 m³/jaar effluent van gezuiverd bedrijfsafvalwater (mogelijks verontreinigd bemalingswater) met gevaarlijke stoffen in een oppervlaktewater via 2 mogelijke lozingspunten | 50 m³/uur

7.1.3° | Productie van katalysatoren | 27450 ton/jaar

7.11.2°e) | Productie van metaaloxiden | 4400 ton

12.1.2.2°a) | Diverse noodgroepen (1.000 kW, 500 kW, 3 x100 kW en 82 kW) | 1882 kW

12.2.1° | Een transformator van 400 kVA en 4 transformatoren van elk 1.000 kVA | 4400 kVA

12.2.2° | 2 transformatoren van elk 1600 kVA | 3200 kVA

12.3.1° | Diverse vast opgestelde batterijen | 89344 VAh

12.3.2° | Batterijladers | 81 kW

15.1.2° | Het stallen van bedrijfsvoertuigen andere dan personenwagens | 55 aantal voertuigen

17.1.2.2.2° | Opslag van max. 6.300 l gevaarlijke gassen in vaste recipiënten (3.000 l stikstof en 3.300 l aardgas) | 6300 liter

17.2.2. | Aanwezigheid van Seveso- ingedeelde producten | 2805,2 ton

17.3.2.1.1.1°b) | Opslag van gasolie in diverse recipiënten | 9 ton

17.3.2.1.2.2° | Opslag van overige ontvlambare vloeistoffen van gevarencategorie 3 in verschillende recipiënten | 40 ton

17.3.2.3.2°a) | Opslag van overige brandgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in verschillende recipiënten | 46 ton

17.3.3.3° | Opslag van oxyderende vloeistoffen en vaste stoffen (GHS03) | 182 ton

17.3.5.3° | Opslag van giftige vloeistoffen en vaste stoffen (GHS06) | 410 ton

17.3.7.3° | Opslag van op lange termijn gezondheidsgevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS08) | 3613 ton

17.3.8.3° | Opslag van voor het aquatisch milieu gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen (GHS09) | 1926 ton

17.4. | Opslag gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen in kleine verpakkingen | 4547 liter

23.2.1°a) | Diverse kunststofverwerkingstoestellen | 82 kW

24.4. | Laboratorium | 1 Labo

29.5.2.1°a) | Diverse metaalbewerkingstoestellen | 58,32 kW

29.5.7.2°a)1) | Een bad voor het ontvetten van metalen | 200 liter

33.3.1°a) | Inrichting voor behandeling van papier en karton: een wikkelaar | 5 kW

39.2.1° | Warmtewisselaar (stoomvaten) | 520 liter

39.3. | Lage druk stoomketel (709 l, 1.000 l en 369 l) | 2078 liter

39.4.1° | Warmtewisselaar met een waterinhoud van de secundaire ruimte | 3880 liter

53.2.2°a) | Een bronbemaling met een debiet van max. 1.500 m³/dag en 30.000 m³/jaar nodig voor het tijdelijk verlagen van de grondwaterstand i.f.v. geplande bouwwerkzaamheden | 30000 m³/jaar

 

2.       HISTORIEK

 

De vergunningverlenende overheid staat in voor de historiek van de inrichting.

 

BEOORDELING AANVRAAG

3.       EXTERNE ADVIEZEN

Wettelijk verplichte externe adviezen worden opgevraagd door de vergunningverlenende overheid.

 

4.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

4.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).
Dit gebied is uitsluitend bestemd voor zeehaven- en watergebonden bedrijven, distributiebedrijven, logistieke bedrijven en opslag- en overslaginrichtingen evenals toeleveringsbedrijven en synergiebedrijven van de watergebonden bedrijven en de bestaande gevestigde productiebedrijven. In dit gebied worden ook de volgende dienstverlenende bedrijven toegelaten, voor zover zij complementair zijn met de voornoemde bedrijven: bankagentschappen, benzinestations en collectieve restaurants ten behoeve van de in de zone gevestigde bedrijven.
Er wordt een bufferzone aangelegd aan de grens met de omliggende gebieden. In deze bufferzone worden geen handelingen en werken toegelaten die afbreuk doen aan de bufferfunctie, of aan de bestemming en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het aangrenzend gebied. Het gebied en de bufferzone die het omvat, kunnen slechts worden gerealiseerd en beheerd door de overheid.

 

Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening Zeehavengebied Gent - Inrichting R4-oost en R4-west' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 15 juli 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.

De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

4.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

4.3.   Verordeningen

Algemeen bouwreglement

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het algemeen bouwreglement, stedenbouwkundige verordening van de stad Gent, goedgekeurd door de deputatie bij besluit van 16 september 2004 en gewijzigd bij besluiten van de deputatie van 29 mei 2008, 23 oktober 2008, 19 augustus 2010, 4 oktober 2012 en 17 juli 2014, zevende wijziging van kracht op 20 december 2020.

Het ontwerp is in overeenstemming met dit algemeen bouwreglement.

 

Gewestelijke verordening hemelwater

De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (zie waterparagraaf).

4.4.   Uitgeruste weg

Het bouwperceel is gelegen aan een voldoende uitgeruste gewestweg.

4.5.   Archeologienota

De aanvraag situeert zich in een gebied waarvan op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kon worden dat het met hoge waarschijnlijkheid geen archeologische waarde heeft.

 

5.       WATERPARAGRAAF

 

De vergunningverlenende overheid staat in voor de opmaak van de waterparagraaf. Met betrekking tot de waterparagraaf wordt volgend advies uitgebracht:

 

Het voorliggende project heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid wordt geoordeeld dat het schadelijk effect op de waterhuishouding van dit gebied beperkt is.

 

Hemelwater

Algemeen geplande toestand:

- Sloop van 3 vrijstaande tanks

- Plaatsen van een nieuwe verbrandingsinstallatie (<40m²)

- Nieuwe toegang tot bundwall bekuiping: 94,6 m² verharding in asfalt. Volgens de aanvraag wordt het opgevangen hemelwater via de nieuwe verharding afgeleid naar het bestaande rioleringsstelsel van de bestaande wegenis.

 

Toetsing aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening (GSV) en het algemeen bouwreglement van de stad Gent (ABR) inzake hemelwater:

 

Verharding

Conform artikel 12 van het ABR moet het verharden van oppervlaktes tot een minimum beperkt worden. De strikt noodzakelijke verhardingen moeten waar mogelijk als verharding met natuurlijke infiltratie of als waterdoorlatende verharding aangelegd worden.

 

Aangezien de verharding in asfalt wordt voorzien en niet kan afwateren naar een onverharde omgeving én volgens de aanvraag niet aanzien wordt als afvalwater, dient de nieuwe verharding aangesloten te worden op een infiltratievoorziening.

 

Infiltratievoorziening

Voor de nieuwe verharding van 94,6 m² dient een infiltratievoorziening voorzien te worden.

 

De infiltratievoorziening dient een inhoud te hebben van 2.365 liter en een oppervlakte van 3,784 m².

 

Om infiltratie toe te laten dient de gemiddelde hoogste grondwaterstand idealiter dieper gelegen te zijn dan de infiltratievoorziening.

De eventuele overloop moet boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand gelegen zijn, aangezien de infiltratievoorziening anders als drainage fungeert.

Bij een ondergrondse infiltratievoorziening zijn de controlemogelijkheden beperkt. Het hemelwater dat naar een ondergrondse infiltratievoorziening wordt geleid, dient om deze reden voorgefilterd te worden om dichtslibbing te vermijden. Een bovengrondse infiltratie voorziening geniet daarom altijd de voorkeur boven een ondergrondse voorziening.

 

Bij kratten, putten moet er genoeg infiltratieoppervlakte gecreëerd worden, de bodem van de kratten/putten mag niet meegeteld worden. Indien de infiltratievoorzieningen in blok worden aangelegd, mag alleen de oppervlakte van de zijkanten van het blok als infiltrerend beschouwd worden. Beter is het om de kratten/putten in een ‘slang’ of ‘lijn’ aan te leggen.

Bij buizen moet er genoeg infiltratieoppervlakte gecreëerd worden, enkel de 2 zijkwarten van de buis mogen ingerekend worden als infiltratieoppervlakte.

Bij een bovengrondse infiltratievoorziening (infiltratiekom of wadi) mag, in geval de komdiepte beperkt is tot 30 cm, steeds de volledige oppervlakte van de infiltratiekom of het infiltratieveld worden ingerekend. Deze wordt bepaald als de horizontale projectie van de infiltratievoorziening op het niveau van de noodoverlaat.

Indien de bodem dieper ligt dan 30 cm kan de bodem worden meegeteld onder voorwaarde dat de infiltratievoorziening bij een volledige vulling binnen de 72 uur wordt geledigd en indien er een onderhoudsprogramma wordt uitgevoerd waardoor de doorlatendheid van de bodem wordt behouden. Zoniet worden alleen de wanden in rekening gebracht.

 

Er kan voldaan worden aan de GSV en ABR indien bovenstaande maatregelen worden toegepast.

 

Technische informatie over afkoppelen, hergebruiken, bufferen en infiltreren kan gevonden worden op de website:  http://www.vmm.be/water/waterwegwijzerbouwen en http://www.integraalwaterbeleid.be/nl/publicaties/technisch-achtergronddocument-bij-de-gewestelijke-stedenbouwkundige-verordening

 

6.       BEKENDMAKING

De aanvraag volgt de vereenvoudigde procedure en moest dus niet aan een openbaar onderzoek worden onderworpen.
 

7.       OMGEVINGSTOETS

 

Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening 

De stedenbouwkundige handelingen gaan over het slopen van opslagtanks, de bouw van een nieuwe verbrandingsinstallatie en de regularisatie van reliëfwijzigingen.

De aanvraag is ruimtelijk en stedenbouwkundig te verantwoorden binnen de industriële context van de Gentse kanaalzone. De sloop van de opslagtanks is aanvaardbaar. De schaal van de nieuwe constructie is ondergeschikt aan de grootschaligheid van de omgeving. De reliëfwijziging is beperkt en situeert zich centraal op de site, de ruimtelijk impact is dan ook minimaal.

 

De aanvraag is bijgevolg in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening en kan positief geadviseerd worden.

 

Afval

De verplichting om selectief te slopen, renoveren en/of te ontmantelen staat in artikel 4.3.3 van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema).

 

Het opstellen van een sloopopvolgingsplan is vereist voor vergunningsplichtige sloop- en afbraakwerken van:
- niet-residentiële gebouwen met bouwvolume groter dan 1.000 m³
- residentiële gebouwen met bouwvolume groter dan 5.000 m³
- infrastructuurwerken met een volume groter dan 250m³.

 

Elke afvoer van afvalstoffen moet gedocumenteerd worden met een identificatieformulier of een afgiftebewijs. De uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop- en ontmantelingswerken bezorgt deze documenten aan de houder van de omgevingsvergunning. Deze dienen 5 jaar bijgehouden te worden.

 

Stofemissies

De uitvoerder van bouw-, sloop- en infrastructuurwerken moet de emissie van stof zo laag mogelijk houden en moet hiertoe maatregelen treffen.

De verplichte maatregelen staan opgesomd in hoofdstuk 6.12 van Vlarem II.

De aandacht wordt gevestigd op artikel 6.12.3 van deze regelgeving. Dit artikel vermeldt vier concrete maatregelen om stofemissies te voorkomen:

1. afscherming met doeken of zeilen,

2. beneveling van de locatie waar de werken worden uitgevoerd,

3. bevochtiging ter hoogte van de apparatuur,

4. rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.

Minimaal één van deze vier maatregelen moet genomen worden.

Als er visueel waarneembare stofverspreiding optreedt kan bijkomende verneveling verplicht zijn.

 

Asbest

Bij de sloop moet de nodige aandacht besteed worden aan de aanwezigheid van asbest. Meer informatie over het correct omgaan met asbest is terug te vinden op de website van OVAM: https://www.ovam.be/omgaan-met-asbest.

 

 

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

Er worden geen opmerkingen gegeven over de milieuhygiënische en veiligheidsaspecten van de aangevraagde ingedeelde inrichtingen.

 


CONCLUSIE

 

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

De aanvraag wordt beslist door de deputatie (art. 15 van het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014).

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

 

Het college van burgemeester en schepenen moet advies uitbrengen bij de deputatie over omgevingsvergunningsaanvragen die door de deputatie worden behandeld (klasse 1 inrichtingen en/of provinciale projecten).

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen brengt voorwaardelijk gunstig advies uit over de omgevingsaanvraag voor het veranderen van een bedrijf voor de productie van katalysatoren (IIOA en SH) van de heer Jannes Colaert en SHELL CATALYSTS & TECHNOLOGIES BELGIUM nv, gelegen te Pantserschipstraat 301 en 331, 9000 Gent.

Artikel 2

 Verzoekt de deputatie om volgende voorwaarden voor de geplande werken op te nemen:

Hemelwater

-Aangezien de verharding in asfalt wordt voorzien en niet kan afwateren naar een onverharde omgeving én volgens de aanvraag niet aanzien wordt als afvalwater, dient de nieuwe verharding aangesloten te worden op een infiltratievoorziening.

-De infiltratievoorziening dient een inhoud te hebben van 2.365 liter en een oppervlakte van 3,784 m².

-Om infiltratie toe te laten dient de gemiddelde hoogste grondwaterstand idealiter dieper gelegen te zijn dan de infiltratievoorziening.

De eventuele overloop moet boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand gelegen zijn, aangezien de infiltratievoorziening anders als drainage fungeert.

-Bij een ondergrondse infiltratievoorziening zijn de controlemogelijkheden beperkt. Het hemelwater dat naar een ondergrondse infiltratievoorziening wordt geleid, dient om deze reden voorgefilterd te worden om dichtslibbing te vermijden. Een bovengrondse infiltratie voorziening geniet daarom altijd de voorkeur boven een ondergrondse voorziening.

-Bij kratten, putten moet er genoeg infiltratieoppervlakte gecreëerd worden, de bodem van de kratten/putten mag niet meegeteld worden. Indien de infiltratievoorzieningen in blok worden aangelegd, mag alleen de oppervlakte van de zijkanten van het blok als infiltrerend beschouwd worden. Beter is het om de kratten/putten in een ‘slang’ of ‘lijn’ aan te leggen.

-Bij buizen moet er genoeg infiltratieoppervlakte gecreëerd worden, enkel de 2 zijkwarten van de buis mogen ingerekend worden als infiltratieoppervlakte.

-Bij een bovengrondse infiltratievoorziening (infiltratiekom of wadi) mag, in geval de komdiepte beperkt is tot 30 cm, steeds de volledige oppervlakte van de infiltratiekom of het infiltratieveld worden ingerekend. Deze wordt bepaald als de horizontale projectie van de infiltratievoorziening op het niveau van de noodoverlaat.

Indien de bodem dieper ligt dan 30 cm kan de bodem worden meegeteld onder voorwaarde dat de infiltratievoorziening bij een volledige vulling binnen de 72 uur wordt geledigd en indien er een onderhoudsprogramma wordt uitgevoerd waardoor de doorlatendheid van de bodem wordt behouden. Zoniet worden alleen de wanden in rekening gebracht.

 

Afval

De verplichting om selectief te slopen, renoveren en/of te ontmantelen staat in artikel 4.3.3 van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Vlarema).

 

Het opstellen van een sloopopvolgingsplan is vereist voor vergunningsplichtige sloop- en afbraakwerken van:

- niet-residentiële gebouwen met bouwvolume groter dan 1.000 m³

- residentiële gebouwen met bouwvolume groter dan 5.000 m³

- infrastructuurwerken met een volume groter dan 250m³.

 

Elke afvoer van afvalstoffen moet gedocumenteerd worden met een identificatieformulier of een afgiftebewijs. De uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop- en ontmantelingswerken bezorgt deze documenten aan de houder van de omgevingsvergunning. Deze dienen 5 jaar bijgehouden te worden.

 

Stofemissies

De uitvoerder van bouw-, sloop- en infrastructuurwerken moet de emissie van stof zo laag mogelijk houden en moet hiertoe maatregelen treffen.

De verplichte maatregelen staan opgesomd in hoofdstuk 6.12 van Vlarem II.

De aandacht wordt gevestigd op artikel 6.12.3 van deze regelgeving. Dit artikel vermeldt vier concrete maatregelen om stofemissies te voorkomen:

1. afscherming met doeken of zeilen,

2. beneveling van de locatie waar de werken worden uitgevoerd,

3. bevochtiging ter hoogte van de apparatuur,

4. rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.

Minimaal één van deze vier maatregelen moet genomen worden.

Als er visueel waarneembare stofverspreiding optreedt kan bijkomende verneveling verplicht zijn.

 

Asbest

Bij de sloop moet de nodige aandacht besteed worden aan de aanwezigheid van asbest. Meer informatie over het correct omgaan met asbest is terug te vinden op de website van OVAM: https://www.ovam.be/omgaan-met-asbest.

 

Artikel 3

Er worden geen aandachtspunten meegegeven.