Terug
Gepubliceerd op 18/07/2025

2025_CBS_06131 - OMV_2024129632 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen te campus Ardoyen - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde, 9052 Gent - Vergunning

college van burgemeester en schepenen
do 10/07/2025 - 08:32 College Raadzaal
Datum beslissing: do 10/07/2025 - 10:13
Goedgekeurd

Samenstelling

Wie is verantwoordelijk voor deze materie?

Filip Watteeuw

Aanwezig

Hafsa El-Bazioui, schepen-voorzitter; Astrid De Bruycker, schepen; Evita Willaert, schepen; Joris Vandenbroucke, schepen; Bram Van Braeckevelt, schepen; Burak Nalli, schepen; Filip Watteeuw, schepen; Christophe Peeters, schepen; Mieke Hullebroeck, algemeen directeur; Liesbet Vertriest, adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Mathias De Clercq, burgemeester; Sofie Bracke, schepen

Secretaris

Mieke Hullebroeck, algemeen directeur
2025_CBS_06131 - OMV_2024129632 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen te campus Ardoyen - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde, 9052 Gent - Vergunning 2025_CBS_06131 - OMV_2024129632 - aanvraag omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen te campus Ardoyen - met openbaar onderzoek - Technologiepark-Zwijnaarde, 9052 Gent - Vergunning

Motivering

Regelgeving waaruit blijkt dat het orgaan bevoegd is

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikel 15.

 

Op basis van welke regels (rechtsgronden) wordt deze beslissing genomen?

 

Het Decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, artikels 5 en 6.

 

Wat gaat aan deze beslissing vooraf?

 

Het college van burgemeester en schepenen verleent de vergunning en legt bijzondere voorwaarden op.

 

WAT GAAT AAN DEZE BESLISSING VOORAF?

 

Ardoyen VZW met als contactadres Technologiepark-Zwijnaarde 82, 9052 Gent heeft een aanvraag (OMV_2024129632) ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 22 november 2024.

 

De aanvraag omgevingsvergunning van de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit handelt over:

Onderwerp: het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen te campus Ardoyen

• Adres: Technologiepark-Zwijnaarde 6-131, 9052 Gent

Kadastrale gegevens: afdeling 24 sectie B nrs. 37A, 39A, 40A, 40C, 42B, 43G, 47D, 74D, 79Z6, 81F, 81H, 87P, 87L, 87K, 87N, 87C, 87H, 87E, 90B, 94D, 95F, 100H, 100R, 100V, 100X, 105C, 107C, 109P, 109K, 109A, 109N, 109F, 113L, 134S, 134T, 134P, 134E, 134G, 136A, 137P, 137F, 137C, 137D, 137V, 137B2, 137H2, 137K2, 137D2, 137E2, 137L2, 137M2, 137N2, 138A, 141M, 141R, 141G, 141S, 142B, 143M, 143K, 143H, 143A, 144C, 144A, 144B, 145B, 167G, 167K, 167L, 167M, 652A en 665A

 

Het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek werd verzonden op 11 februari 2025.

De aanvraag volgde de gewone procedure.

Volgend verslag werd uitgebracht door de gemeentelijk omgevingsambtenaar op 4 juli 2025.

 

OMSCHRIJVING AANVRAAG

1.       BESCHRIJVING VAN DE OMGEVING, DE PLAATS EN HET PROJECT

Het betreft het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen van het Technologiepark Zwijnaarde (Campus en Wetenschapspark Ardoyen).


Op het Technologiepark Zwijnaarde/Campus Ardoyen van Tech Lane Ghent zijn gebouwen van zowel UGent als private bedrijven gevestigd. De bezetting van het bedrijvenpark is een dynamisch gegeven. De meeste bedrijven en UGent zijn verenigd in de vzw Ardoyen.

Met betrekking tot het waterbeheer wordt voor wat de lozing betreft, het park in zijn totaliteit beschouwd: er is een omgevingsvergunning op naam van de vzw Ardoyen (OMV_2019080919) met één gezamenlijk lozingspunt op openbare riolering en één lozingspunt voor hemelwater via de campus-RWA in de Ringvaart. De omgevingsvergunning vervalt op 25/11/2025. Deze aanvraag betreft de hernieuwingsaanvraag.


Gezien sinds de laatste vergunning het overstort van de hemelwaterbuffer VIB werd afgekoppeld en UGent meer inzetten op circulair gebruik van afvalwater in haar gebouwen, wordt het lozingsdebiet van de te hernieuwen vergunning verlaagd van 40 m³/u – 400 m³/dag – 100 000 m³/jaar naar 18 m³/u – 350 m³/dag – 87 500 m³/jaar. De lozing gebeurt nog steeds via één lozingspunt op DWA.

 

Volgende rubriek wordt aangevraagd:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | -50 m³/dag en -12.500 m³/jaar: een vermindering van het jaarlijks lozingsdebiet door afkoppeling van hemel- en grondwater en een realistischer aanname van uur/dag/jaardebiet op basis van pompeigenschappen. | klasse 2 | Verandering

-22 m³/uur

 

Volgende bijstellingen van de sectorale voorwaarden wordt aangevraagd:
Bijlage 2.3.1

Omschrijving: Basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater

Motivatie: Uit analyses van het afvalwater bleek dat voor een aantal parameters concentraties in het afvalwater gemeten worden die hoger liggen dan de indelingscriteria. Voor die parameters werd in 2021 een bijstelling gevraagd en verkregen. De bijzondere voorwaarden van de voorgaande vergunningen vervallen van rechtswege aangezien het een hernieuwing betreft. Toch wordt voor een aantal parameters het indelingscriterium nog steeds overschreden waardoor nieuwe bijzondere voorwaarden gevraagd worden. De gevraagde bijzondere voorwaarden zijn afgestemd op de recente analyseresultaten.

Voorstel: Volgende lozingsnormen zijn van toepassing

- Ptot : 20 mg/l

- Anionische detergenten : 1 mg/l

- Kationische detergenten : 1 mg/l

- Niet-ionische detergenten : 6 mg/l

- Som detergenten : 8 mg/l

- Bisfenol A : 1 µg/l

- (4t)-octylfenol : 1 µg/l

- Nonylfenol : 0.3 µg/l - IC

- p-cresol : 200 µg/l

- fenol 75 µg/l

- 4-chloor 3-methylfenol : 45 µg/l 

- 4-chloor+3,5-dimethylfenol 2 µg/l 

- 4-ethylfenol+3,5-dimethylfenol 3 µg/l 

- EOX 50 µg/l

- Uranium : 1,9 µg/l

- Dichloormethaan : 200 µg/l

 

Artikel: 4.2.5.1.1.

Omschrijving: Bedrijfsafvalwater van inrichtingen die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater van meer dan 2 m3 per dag of 50 m3 per maand of 500 m3 per jaar lozen, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit dient als controle-inrichting voor debieten > 2 m3/uur of > 20 m3/dag (bij voorkeur) een meetgoot volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen geplaatst of een andere evenwaardige meetmogelijkheid voorzien te worden.

Motivatie/Voorstel: In afwijking van Vlarem II Afdeling 4.2.5 wordt een EM-debietmeter gebruikt voor bepaling van de kwantiteit van het geloosde afvalwater. Voor de bepaling van de kwaliteit is een aftappunt aanwezig op de persleiding na de debietmeter die toelaat om op eenvoudige wijze een staal te nemen. De lozingsdebieten worden continue gelogd.

 

2.       HISTORIEK

Volgende vergunningen, meldingen en/of weigeringen zijn relevant:

Milieuvergunningen

* Op 24/11/2005 werd door de deputatie een vergunning afgeleverd voor de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen. (11004/E/1)

 

Omgevingsvergunningen

* Op 25/03/2021 werd door het college van burgemeester en schepenen een vergunning voorwaardelijk afgeleverd voor de verandering van het lozingsdebiet en de actualisatie van de bijzondere voorwaarden. (OMV_2019080919)

 

3.       WIJZIGINGSAANVRAAG

Op 26 mei 2025 werd een wijzigingsverzoek ingediend. Op 27 mei 2025 werd dit wijzigingsverzoek aanvaard en er werd beslist dat er een nieuw openbaar onderzoek gevoerd moest worden. De uiterste beslissingsdatum werd hierdoor verlengd met 60 dagen.

 

 

BEOORDELING AANVRAAG

4.       EXTERNE ADVIEZEN

Volgende externe adviezen zijn gegeven:

 

Gunstig 1e advies van Provincie Oost-Vlaanderen - Waterbeleid afgeleverd op 12 juni 2025 onder ref. M02\Dossiers\45807\AP.

Gunstig 2e advies van Provincie Oost-Vlaanderen - Waterbeleid afgeleverd op 17 maart 2025 onder ref. M02\Dossiers\45807\AP.


Ongunstig 1e advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 31 maart 2025 onder ref. KAG/MV/BG/ND/77384/52615.

Gedeeltelijk voorwaardelijk gunstig 2e advies van VMM (M) Advies Vergunning Afvalwater en Lucht (milieu) afgeleverd op 25 juni 2025 onder ref. KAG/MV/BG/ND/77384/52615.


Ongunstig 1e advies van De Vlaamse Waterweg nv - Afdeling Regio West afgeleverd op 31 maart 2025 onder ref. omv-2024129632 Behandeling in eerste aanleg-001.

Voorwaardelijk gunstig 2e advies van De Vlaamse Waterweg nv - Afdeling Regio West afgeleverd op 19 juni 2025 onder ref. omv-2024129632 Behandeling in eerste aanleg-002.

 

Gunstig advies van Brandweerzone Centrum afgeleverd op 26 maart 2025 onder ref. 031107-022/SP/2025.


Geen tijdig advies van Federaal Agenschap voor Nucleaire Controle. De adviesvraag is verstuurd op 11 februari 2025. Op 4 juli 2025 is nog géén advies ontvangen. Omdat de decretaal omschreven adviestermijn verstreken is, kan aan de adviesvereiste voorbij gegaan worden.

 

5.       TOETSING AAN WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE VOORSCHRIFTEN

5.1.   Ruimtelijke uitvoeringsplannen – plannen van aanleg

Het project ligt in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' (goedgekeurd op 28 oktober 1998).


Het project ligt in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Afbakening grootstedelijk gebied Gent' (definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 december 2005), maar niet in een gebied waarvoor er stedenbouwkundige voorschriften zijn bepaald.


Het project ligt in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'TECHNOLOGIEPARK ARDOYEN - TRAMSTRAAT' (Definitieve vaststelling door de Gemeenteraad op 22 november 2021). De locatie is volgens dit RUP gelegen in zone voor onderwijs en kennisbedrijven, zone voor park, zone voor groenbuffer, zone voor plein, bouwvrijstrook en reservatiestrook voor de heraanleg van de kruispunten op Grotesteenweg Noord – N60.


Het project ligt in het bijzonder plan van aanleg HUTSEPOT 2, goedgekeurd op 29 maart 2002,

en HUTSEPOT 1, goedgekeurd op 15 februari 2000, in een zone voor wegen.


De aanvraag is in overeenstemming met de voorschriften.

5.2.   Vergunde verkavelingen

De aanvraag is niet gelegen in een goedgekeurde, niet vervallen verkaveling.

 

6.       WATERPARAGRAAF

6.1.   Ligging project

Het project situeert zich in het afstroomgebied van de Grietgracht (O706) in beheer van Provincie Oost-Vlaanderen. Verder stroomt het gebied af naar de Ringvaart om Gent in beheer van De Vlaamse Waterweg nv. Het project ligt niet in de nabije omgeving van de waterloop.

Volgens de kaarten bij het Watertoetsbesluit is het project:

- niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied voor zeeoverstroming.

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen vanuit een waterloop (fluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming) en klein zowel in het huidig klimaat als onder klimaatverandering in een beperkte zone.

- gelegen in een gebied gevoelig voor overstromingen door intense neerslag (pluviaal). De overstromingskans is middelgroot (gebied waar er jaarlijks meer dan 1% kans is op overstroming) en klein (gebied waar er jaarlijks 0,1 tot 1 % kans is op overstroming) zowel in het huidig klimaat als onder klimaatverandering.

- niet gelegen in een signaalgebied.

6.2.   Verenigbaarheid van het project met het watersysteem

Droogte

Het hemelwater dat neervalt moet op eigen terrein maximaal vastgehouden worden en niet afgevoerd. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met een vertraging wordt afgevoerd. De plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden.


De bedrijven in het consortium worden gestimuleerd om maximaal in te zetten op regenwatergebruik. Waar mogelijk wordt water uit een productieproces hergebruikt (bv. in sommige serres wordt overtollig water na filtratie hergebruikt). Een deel van het afvalwater wordt gezuiverd in een helofytenfilter en gebruikt voor toiletspoeling en er wordt onderzocht in hoeverre verdunde afvalwaterstromen zoals spuiwater, condenswater,... intern hergebruikt kunnen worden bv. voor toiletspoeling.

Door middel van opvolging van de watertellerstanden worden hoge verbruiken en lekken snel opgespoord. De bedrijven worden aangespoord op zoek te gaan naar alternatieven voor water verspillende toestellen.

Door middel van wateraudits en de vergelijking van waterverbruiken tussen de verschillende bedrijven worden bedrijven gestimuleerd het waterverbruik te beperken. Good practices worden ook uitgewisseld tussen de bedrijven. Door het waterverbruik als verdeelsleutel voor de waterbeheerskosten te hanteren, worden de bedrijven gestimuleerd hun waterverbruik te beperken. 

 

Verenigbaarheid met het watersysteem

Er is geen interferentie met het beheer en exploitatie van de bevaarbare waterweg.


Er zijn geen acties opgenomen in het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde (2022-2027) die betrekking hebben op de vergunningsaanvraag.


Er worden geen bijkomende gebouwen, verhardingen of relevante reliëfwijzigingen voorzien. Bijgevolg wordt verwacht dat voorliggende milieuvergunningsaanvraag verenigbaar is met het watersysteem en geen schadelijke invloed zal hebben op de oppervlaktewaterhuishouding in de omgeving  en dat de kans op overstroming niet zal verhogen.

 

Waterkwaliteit

De lozing van het afvalwater is een ingedeelde activiteit. De impact van de lozing wordt besproken bij de omgevingstoets. De lozing moet voldoen aan de toepasselijke algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II en de bijzondere voorwaarden opgelegd in deze vergunning waardoor verontreiniging zal voorkomen worden.


Volgens de aanvraag is het niet waarschijnlijk is dat het hemelwater verontreinigd wordt door de activiteiten. De voorzorgsmaatregelen om verontreiniging van hemelwater te voorkomen worden genomen op gebouwniveau en zijn desgevallend beschreven in de individuele omgevingsvergunningen van de bedrijven/UGent.

Er worden geen specifieke maatregelen genomen om verontreiniging van het hemelwater op parkings en wegenis te voorkomen, dergelijke verontreiniging treedt enkel op bij calamiteiten (lekken aan voertuigen, lekken van vervoerd materiaal,...). Er zijn wel KWS-afscheiders voorzien die regelmatig gereinigd worden. De afvalstoffen die daarbij vrijkomen, worden opgehaald en afgevoerd conform het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA).

In het geval van calamiteiten wordt de verontreiniging zo snel mogelijk afgeperkt en opgeruimd door een erkende onderhoudsfirma. Door het voorzien van absorberende materialen wordt voorkomen dat verontreinigingen in de riolering terecht komen.

De Vlaamse Waterweg staat in voor het beheer van calamiteiten zoals vervuilingsincidenten op hun infrastructuur (bv. bij olielekken of accidentele lozingen buiten de norm). De aanvrager dient dus ieder incident waarbij mogelijks oppervlaktewaterverontreiniging ontstaat binnen de 24 uur te melden aan RIS (0800/40 330 of ris@vlaamsewaterweg.be). Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen.

6.3.   Conclusie

Aangevuld met de (in deze vergunning opgenomen) voorwaarden is het project verenigbaar met het watersysteem en het beheer van De Vlaamse Waterweg nv.

Met deze voorwaarden voldoet het project aan de doelstellingen en beginselen zoals geformuleerd in art. 1.2.2 en 1.2.3 van het gecodificeerd decreet integraal waterbeleid. Het project voldoet aan het standstillbeginsel.

 

7.       NATUURTOETS

Er worden geen wijziging aan bouwvolumes/constructies en/of verharding voorzien. Het project heeft geen negatieve effecten op (mogelijks) aanwezige waardevol groen.


Het project bevindt zich op meer dan 750 m van habitatrichtlijngebied en meer dan 1 km van vogelrichtlijngebieden.


De aangevraagde activiteiten veroorzaken geen uitstoot van schadelijke stikstofverbindingen.


Het bedrijfsafvalwater wordt geloosd in de riolering die is aangesloten op een RWZI.

 

Het project zal geen betekenisvolle aantasting impliceren voor de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones, noch onherstelbare en onvermijdbare schade berokkenen aan natuur in VEN.

 

Hieruit wordt besloten dat de aanvraag de natuurtoets doorstaat.

 

8.       PROJECT-M.E.R.-SCREENING

De aanvraag heeft geen milieueffectrapport of project-MER-screening nodig.

 

9.       OPENBAAR ONDERZOEK

Het eerste openbaar onderzoek werd gehouden van 21 februari 2025 tot en met 22 maart 2025.
Gedurende dit openbaar onderzoek werden geen bezwaarschriften ingediend.


Een tweede openbaar onderzoek werd gehouden naar aanleiding van een wijzigingslus van 4 juni 2025 tot en met 3 juli 2025.

Gedurende dit openbaar onderzoek werden opnieuw geen bezwaarschriften ingediend.

 

10.   OMGEVINGSTOETS

Milieuhygiënische en veiligheidsaspecten

LOZINGSSITUATIE

De campus Ardoyen is volgens het zoneringsplan gelegen binnen collectief geoptimaliseerd buitengebied. In de Grote Steenweg Noord en in de Tramstraat liggen (gedeeltelijk) DWA/gemengde rioleringen die afvoeren naar de RWZI Gent-Ossemeersen. In de Tramstraat ligt voor een gedeelte een RWA riolering die nog aangesloten is op de DWA. In de Grote Steenweg Noord ligt een RWA riolering (ingebuisde gracht) die voor een deel afvoert naar de Ringvaart, en vermoedelijk voor een deel ook nog mee aansluit op de DWA.

In de aangrenzende woonwijk ten noordoosten van de campus, o.a. de Rooskensstraat bevattende, liggen ook DWA-rioleringen die afvoeren naar de RWZI van Gent.


De campus beschikt over een gescheiden rioleringsstelsel. Op de DWA is het afvalwater van alle gebouwen op de campus aangesloten. De lozing betreft het geheel van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater, het geheel wordt beschouwd als bedrijfsafvalwater. Op de RWA wordt het regenwater aangesloten.

Het rioleringsstelsel van de campus watert af naar een pomphuis gelegen aan de noordoostelijke zijde van de site. Vanuit het pomphuis wordt de regenwaterafvoer (RWA) apart afgevoerd naar een waterloop aan de noordelijke zijde van de site.

Een deel van het afvalwater wordt sinds oktober 2024 gezuiverd in een helofytenfilter en hergebruikt voor toiletspoeling in de UGent/VIB-gebouwen. De zuivering werkt vraaggestuurd, enkel het debiet aan water dat intern hergebruikt kan worden wordt gezuiverd.

De rest van het afvalwater wordt via een persleiding geloosd in de droogweerafvoer (DWA) van de Rooskensstraat.


Op de campus zijn zowel privébedrijven als gebouwen van de UGent aanwezig. De meeste gebouwen hebben reeds een eigen gescheiden stelsel; echter komt ook nog een deel regenwater in de DWA van de site terecht. Dit zorgt voor verdunning van het geloosde afvalwater.

In navolging van het advies van VMM wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de UGent, van zodra een privébedrijf/terrein in hun beheer komt, het niet-verontreinigd hemelwater ervan gescheiden moet worden van het afvalwater en zo gescheiden aangesloten moet worden op het interne rioleringswerk.


Met voorliggende aanvraag vraagt het bedrijf nog steeds de lozing van het bedrijfsafvalwater op DWA-riolering (LP_BAW_DWA_Rooskensstraat), zij het aan een verminderd debiet (rekening houdende met de bronbeperkende maatregelen die werden uitgevoerd).

 

NIET-VERONTREINIGD HEMELWATER

De afwateringssituatie van hemelwater (toestand 2022) wordt per gebouw visueel voorgesteld op het afwateringsplan ‘Plan OMV2024129632 afwateringsplan 2022’ en ‘Plan OMV2024129632 lozingsituatie thv infiltratievijver_250508’.

Ten gevolge van voorliggende aanvraag zal de verharde oppervlakte (dak en wegenis) niet toenemen.


Op de campus is een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig en een aantal infiltratievoorzieningen. In de centrale parvis werd een grote infiltratievijver aangelegd, langs de ringweg bevinden zich bioswales en een aantal bedrijven hebben een eigen infiltratievoorziening. Op de campus zijn ook natuurlijke grachten aanwezig waarin hemelwater kan infiltreren en een deel van het hemelwater stroomt af naar de groenzones. Een groot aantal gebouwen gebruikt hemelwater voor toiletspoeling of als waterbron voor de planten in de serres. Bedrijven die nog gemengd lozen, worden aangemaand over te gaan tot afkoppeling, bij voorkeur gecombineerd met hergebruik en infiltratie op het eigen perceel.

In de centrale parvis werd een grote hemelwaterput aangelegd die als noodvoorraad kan aangewend worden bij langdurige droogte. Het overschot aan hemelwater, dat niet geïnfiltreerd of hergebruikt wordt, wordt via één lozingspunt geloosd in de Ringvaart. 


Voor de campus is een masterplan in opmaak waarvan de goedkeuring eind 2025 wordt verwacht. Volgens het masterplan worden overstromingsgevoelige zones ingericht als natte groenzones en zijn er geen bouwprojecten in deze zones voorzien. Verder worden in het masterplan de doelstellingen uit het Waterbeleidsplan van UGent (2021) nagestreefd. UGent maakt werk van een integraal waterbeleid dat de waterkringlopen zoveel mogelijk lokaal sluit en de gevolgen van de klimaatverandering mildert door maximaal hergebruik en infiltratie van hemelwater en minimale lozing. Dit betekent dat de UGent:

- een bijkomende reductie van leidingwater realiseert van 15% tegen 2030 t.o.v. 2020

- maximaal inzet op alternatieve waterbronnen in functie van de toepassing en hierbij streeft naar 80% hergebruik bij nieuwbouw en renovatie

- ruimte maakt voor water door (overbodige) verharding te verwijderen en om te zetten naar een zone waar water kan infiltreren

- een actieve bijdrage levert aan het verbeteren van de waterkwaliteit en de kwantiteit van grond- en oppervlaktewater

- vanaf nu werkt aan een geïntegreerde aanpak bij nieuwbouw en renovatie op vlak van waterbeheer en hiervoor de krachten bundelt van experten, studenten en beleidsmedewerkers

- proeftuinen rond circulair waterbeheer opzet om innovatie mee mogelijk te maken.

 

HUISHOUDELIJK AFVALWATER

Het huishoudelijk afvalwater omvat afvalwater van kleine keukentjes, douches en toiletten. In het Locus-gebouw is een restaurant gevestigd. Het huishoudelijk afvalwater wordt samen met het bedrijfsafvalwater op de openbare riolering geloosd. Beide zijn niet apart controleerbaar van elkaar. Het huishoudelijk afvalwater wordt daarom beschouwd als bedrijfsafvalwater.

 

BEDRIJFSAFVALWATER

Algemeen

Het bedrijf is vergund voor het lozen van max. 40 m³/u – 400 m³/dag – 100 000 m³/jaar bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen via een bufferbekken/pompstation in de riolering mits voldaan wordt aan de algemene en sectorale (sector 21.3 laboratoria) voorwaarden voor lozing op riool.

Met voorliggende aanvraag vraagt het bedrijf het lozingsdebiet bedrijfsafvalwater ten opzicht van de laatste vergunning te verminderen tot max. 18 m³/u – 350 m³/dag - 87.500 m³/jaar (rubriek 3.4.2.).


Het afvalwater van alle gebouwen wordt via een centrale campusriolering naar het pompstation gebracht waar het eerst wordt verzameld in het bufferbekken.

Een deel van het afvalwater wordt sinds oktober 2024 gezuiverd in een helofytenfilter, verzameld in een effluentput en hergebruikt voor toiletspoeling in de UGent/VIB-gebouwen. De zuivering werkt vraaggestuurd, enkel het debiet aan water dat intern hergebruikt kan worden wordt gezuiverd. De effluentput is niet voorzien van een overloop naar de openbare riolering.

De rest van het afvalwater wordt via een persleiding geloosd in de openbare riolering (DWA) van de Rooskensstraat. Door sturing van de pompen wordt er gedurende 24u per dag en 365 dagen per jaar bijna continue geloosd.


Het afvalwater van de UGent-gebouwen betreft afvalwater van kleine werkplaatsen, clean rooms, onderzoeksruimten voor hydraulica, grondmechanica, kunststofverwerking, industriële scheikunde, petrochemie, metaalonderzoek,...


Het bedrijfsafvalwater van de private bedrijven en het VIB/Locusgebouw omvat voornamelijk labowater afkomstig van biotechnologische onderzoeksactiviteiten. De meeste bedrijven zijn actief in de sectoren van de Plant Biotech, Health Tech & Pharma, Sustainable Chemistry & Industrial Biotech. De meeste chemisch of biologisch beladen effluenten worden strikt gescheiden gecollecteerd en vervolgens afgevoerd als gevaarlijk afval. Biologisch (vloeibaar) afval wordt in situ geïnactiveerd en gezien chemische inactivatiemiddelen niet geloosd kunnen worden, wordt ook dit vloeibaar afval behandeld als gevaarlijk afval.

Het gevolg is een weinig chemisch of biologisch beladen afvalwaterstroom voornamelijk bestaande uit wasvloeistoffen (obv PBS-buffers), vervallen kweekmedia en andere ongevaarlijke oplossingen. Dergelijke afvalwaters worden gekarakteriseerd door een relatief lage BZV/CZV, relatief hoge fosfor en detergent concentratie. Eveneens kan een verhoogde fenol en p-cresol concentratie worden vastgesteld. Verhoogde fosforconcentraties zijn te wijten aan onderzoeksactiviteiten met celculturen, fermentaties van bvb gisten en bacteriën in bioreactoren en de downstream processing ervan via chromatografische methoden (nutriënten en fosforbuffers). Ook onderhoudsproducten voor de technische installaties (stoomketels, stoomstraten, autoclaven, koeltorens,...) kunnen fosfaathoudend zijn. Fenolen en p-cresol zijn typische componenten die worden gegenereerd door de microbiële fermentatie van voedingsaminozuren, met name tyrosine. De mogelijke oorsprong van p-cresol en fenolen, namelijk als metaboliet tijdens het fermentatieproces van gisten en bacteriën, is vermoedelijk de reden van de gemeten concentraties.

 

Lozingsdebiet

Er wordt een vermindering van het lozingsdebiet aangevraagd. Enkel met de juiste cijfers kan het (al dan niet verdunnend) effect op de RWZI van Gent bepaald worden .


Ter motivatie van het aangevraagde lozingsdebiet wordt enerzijds gewezen op metingen:

- In de periode 05/2024 t.e.m. 08/2024 werd ongeveer de helft van de tijd gemiddeld minder dan 200 m³/dag gemeten.

- Begin oktober 2024 werd de nieuwe meet- en opvolginstallatie van Fixsus in gebruik genomen. Deze laat toe zeer nauwgezet de lozingsdebieten te monitoren en te koppelen aan externe omstandigheden zoals regenval. Sindsdien werd nog op 13 van de 36 dagen een lozing van meer dan 200 m³ gemeten en slechts 2 maal een lozing van meer dan 300 m³/dag. Een lozing van meer dan 300 m³/dag werd steevast waargenomen op dagen met zware regenval, waaruit blijkt dat het effect van niet afgekoppelde hemelwaterstromen op het totaal lozingsdebiet niet te onderschatten is.


Men motiveert volgend te vergunnen lozingsdebiet:

- 18 m³/u op basis van de maximale capaciteit van de pompen (3) die het afvalwater vanuit de pompput op de campus richting Rooskenstraat sturen

- 350 m³/dag op basis van metingen

- 87.500 m³/jaar als 350 m3/dag x 250 werkdagen/jaar

 

Anderzijds motiveert men het lozingsdebiet op basis van schattingen van de reeds afgekoppelde afvalwaterstromen ten opzichte van het laatst vergunde debiet:
- afkoppeling van het overstort van de hemelwaterbuffer van VIB, reeds uitgevoerd in 2024.

- circulair gebruik van afvalwater in UGentgebouwen, opgestart in 2024 en zal in 2025 afgerond worden.


Op basis van het aanvraagdossier en bijkomende informatie, en rekening houdende met de bespreking tijdens het vooroverleg van 23 april 2025, kan conform het advies van VMM akkoord gegaan worden met het herrekende lozingsdebiet van max. 18 m³/u – 350 m³/dag – 87500  m³/jaar bedrijfsafvalwater (rubriek 3.4.2) in de openbare riolering (LP_BAW_DWA_Rooskensstraat), indien er gehouden wordt aan de algemene en sectorale voorwaarden voor lozing op de riolering.


 

Aanpak verdund afvalwater

Het bedrijfsafvalwater komt terecht op de RWZI Gent-Ossemeersen die een capaciteit heeft van 230000 IE54. De hydraulische capaciteit van de biologische straat is 201197 m³/d. Er is nog een restcapaciteit beschikbaar van 9754 IE54.

De BZV concentratie van het geloosde bedrijfsafvalwater is overwegend kleiner dan 100 mg/l,
waardoor het geloosde bedrijfsafvalwater wordt beschouwd als verdund afvalwater.

Volgens het besluit van 12 februari 2014 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare RWZI, is een grondige evaluatie voor
het lozen van verdund (BZV < 100mg/l) bedrijfsafvalwater op een RWZI noodzakelijk als minstens aan één van onderstaande criteria is voldaan:

- Q verg > 200 m³/d

- Q verg > 2,5% capaciteit van biologische straat (met min. 20 m³/d)

De beschouwde lozing (350 m³/dag) betreft nog steeds een lozing die valt onder “grondige evaluatie”. Naar aanleiding van de voorbespreking op 23 april 2025 verleende Aquafin hieromtrent volgend advies:

Volgens het Bedrijfsafvalwaterbesluit 2014 overschrijdt de lozing de criteria voor grondige evaluatie voor verdund afvalwater (BZV < 100 mg/L, 200 m³/d). Het lozingsdebiet werd daarom afgetoetst aan het droogweerdebiet van RWZI Gent. De lozing bedraagt 1% van het droogweerdebiet van RWZI Gent.

Aquafin kan daarom de lozing positief adviseren, ondanks het feit dat verdund afvalwater niet thuishoort op een RWZI.

 

Uit verschillende studies m.b.t. het verdund lozen van het afvalwater die bij voorliggende aanvraag zijn gevoegd, blijkt:

- Een deel van de gebouwen heeft geen gescheiden intern stelsel, waardoor regenwater van dak- en verharde oppervlakte aangesloten is op DWA. Voor de privébedrijven betreft dit: IIC (Primoris), Robovisium, Chevron (nu Bismut, UGent), en voor de UGent gebouwen: Regeltechniek. De stand van zaken van de afkoppeling en de inschatting van de stijging van de BZV concentratie staan in de studies en het advies van VMM.

- Een groot gedeelte van het geloosde bedrijfsafvalwater per bedrijf betreft verdund afvalwater (BZV < 100 mg/l). In de studie wordt daarom verder gezocht naar maatregelen bij de grootste lozers teneinde de verdunning hier te kunnen aanpakken. Hierbij wordt gefocust op VIB en Bio-Accelerator. De stand van zaken van de te nemen maatregelen en de inschatting van de stijging van de BZV concentratie staan in de studies en het advies van VMM.

- Een deel van het afvalwater wordt sinds oktober 2024 gezuiverd in een helofytenfilter en hergebruikt voor toiletspoeling in de UGent/VIB-gebouwen. De zuivering werkt vraaggestuurd, enkel het debiet aan water dat intern hergebruikt kan worden wordt gezuiverd.


Volgens de voorwaarden van de omgevingsvergunning, werden ook maandelijks BZV-analyses uitgevoerd aan het lozingspunt LP_BAW_DWA Rooskensstraat. De resultaten opgenomen in de aanvraag blijken deels hoger en deels lager dan 100 mg/l BZV. Er kan nog niet gesteld worden dat de afvalwaterstroom op alle momenten onverdund is. Er zijn onvoldoende gegevens om een rechtlijnige conclusies te kunnen trekken, maar het lijkt er wel op dat de BZV concentraties lager is bij veel regenweer, en dus dat afkoppeling van het regenwater van de DWA nog steeds prioritair dient te gebeuren. De verdunning dient dus blijvend opgevolgd te worden. De maandelijkse BZV-analyses worden opnieuw opgenomen bij de bijzondere voorwaarden. Deze dienen ter beschikking gehouden van de lokale toezichthouder.

 

Op basis van de studies en de effectief geïdentificeerde maatregelen, werd in de actiepuntenlijst volgende tabel voor verbetering op korte termijn opgenomen:

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.


Wanneer ook de geplande afkoppelingen op langere termijn beschouwd worden (die momenteel nog niet in uitvoering zijn en/of extra dienen onderzocht te worden), komt men op volgende tijdslijn:

Afbeelding met tekst, schermopname, Lettertype, nummer

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

 

Lozingsnormen en impactberekening – lozing BA op riolering

Het bedrijf voegde een impactbeoordeling toe bij het dossier (Impactanalyse 20241118_VZWArdoyen_31000049). Hierbij wordt de impact na RWZI Gent bekeken. Dit werd op voorhand afgestemd met VMM.

De resultaten tonen aan dat deze lozingsnormen behouden kunnen blijven, behalve voor chloride. Voor chloride dient een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van BBT + maatregelen uitgevoerd te worden voor reductie van de geloosde concentratie. Echter dient opgemerkt dat de Ringvaart om Gent, waarop de RWZI loost, uitloopt in het Kanaal Gent-Terneuzen, waar er gemiddeld genomen reeds zeer hoge chlorideconcentraties voorkomen.


In lijn met het standpunt van de VMM kan met conclusie van de impactanalyse worden ingestemd. Zoals ook aangegeven tijdens vooroverleg met de VMM, dienen de normen verder afgestemd te worden op basis van de recente analyseresultaten. De gemaakte impactanalyse geeft bijgevolg de ‘worst case’ situatie weer met maximale lozing volgens de huidige bijzondere voorwaarden.


Op basis van de bespreking van de analyseresultaten worden door het bedrijf, behalve voor kwik, de sectorale lozingsnormen (sector 21.3 laboratoria) voor lozing op de riolering opnieuw aangevraagd en tevens onderstaande bijzondere lozingsnormen:

- Ptot : 20 mg/l

- Anionische detergenten : 1 mg/l

- Kationische detergenten : 1 mg/l

- Niet-ionische detergenten : 6 mg/l

- Som detergenten : 8 mg/l

- Bisfenol A : 1 µg/l

- (4t)-octylfenol : 1 µg/l

- Nonylfenol : geen (IC = 0.3 µg/l)

- p-cresol : 200 µg/l

- fenol 75 µg/l

- 4-chloor-3-methylfenol : 45 µg/l 

- 4-chloor+3,5-dimethylfenol 2 µg/l 

- 4-ethylfenol+3,5-dimethylfenol 3 µg/l 

- EOX 50 µg/l

- Uranium : 1,9 µg/l

- Dichloormethaan : 200 µg/l

 

Conform het advies van VMM kan akkoord gegaan worden met de gevraagde normen voor Ptot,  detergenten, bisfenol A, p-cresol, fenol, 4-chloor-3-methylfenol, 4-chloor+3,5-dimethylfenol, 4-ethylfenol+3,5-dimethylfenol, EOX en uranium gezien deze afgestemd zijn op de gemeten resultaten.


Detergenten

In navolging van het advies van VMM wordt volgende bijzondere voorwaarde opnieuw opgenomen en aangevuld zodanig dat duidelijk is dat er aan de verordening voldaan wordt:

De geloosde detergenten moeten voldoen aan de Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees parlement en de Raad betreffende detergenten. Het bedrijf maakt de overeenstemmende MSDS fiches over aan de VMM (vergunningen.ge@vmm.be). Voor de producten zonder verwijzing naar de verordening dient het bedrijf ofwel een nieuwe, recente SDS fiches aan te vragen ofwel het gebruik van het product stop te zetten. Een update hiervan dient binnen de 6 maanden bezorgd te worden aan VMM.


Dichloormethaan

In overeenstemming met het advies van VMM kan niet akkoord gegaan worden met de gevraagde norm van 200 µg/l voor dichloormethaan, gelet de beschikbare analyses niet wijst op de noodzaak hiertoe: er wordt niet hoger dan 20 µg/l gemeten. Het indelingscriterium van 20 µg/l dient hierbij van toepassing gesteld te worden.


Octylfenol en nonylfenol

Het bedrijf vraagt voor octylfenol een norm van 1 µg/l, gelijk aan 10 x het indelingscriterium, en voor nonylfenol het indelingscriterium van 0,3 µg/l. Octylfenol is een prioritaire stof (PS) en nonylfenol een prioritair gevaarlijke stof (PGS). Er dient voor zowel octylfenol als nonylfenol gestreefd te worden naar een concentratie onder het indelingscriterium, gelet de eigenschappen van beide stoffen. Uit de analyses blijkt:

- Er werd max. 0,98 µg/l voor octylfenol gemeten (van 2 analyses), wat een overschrijding van het IC is

- Er werd voor nonylfenol max. 0,49 µg/l gemeten (van 2 analyses) , wat een overschrijding van het IC is


Inzake octylfenol vermeldt het bedrijf:

“Octylfenol is een mogelijke probleemparameter voor alle bedrijven die met eiwitten en immunochemie werken. Octylfenol zit in zeer lage concentraties in de meeste wasbuffers, maar ook in detergenten en antischuimmiddelen. Vaak in zo’n lage concentraties dat het niet vermeld wordt op de SDS omdat het mengsel ongevaarlijk is en/of het ingrediënt er in zeer lage concentraties in zit. Bijgevolg denkt een gebruiker dat hij een ongevaarlijke stof loost. De octylphenolethoxylaten (OPE) worden in de EU vanaf januari geautoriseerd dus de meeste fabrikanten zullen op middellange termijn alles vervangen hebben. Dit is echter niet geldig voor de producten die in de EU geïmporteerd worden en < 0,1% octylphenolethoxylate bevatten.“


Inzake nonylfenol vermeldt het bedrijf:

“Er kan geen Bijzondere voorwaarde worden aangevraagd. Er wordt bronbeperkend gewerkt.”


Conform VMM kan akkoord gegaan worden met een norm conform IC voor nonylfenol, en gaat slechts tijdelijk akkoord met een hogere norm voor octylfenol van 1 µg/l voor 3 jaar, nadien geldt ook IC voor octylfenol. In tussentijd dient onderzoek uitgevoerd te worden om de geloosde concentraties te beperken. Dit wordt opgenomen als bijzondere voorwaarde.


Kwik

VMM merkt op dat het bedrijf de sectorale norm voor kwik niet meer aanvraagt, of toch alleszins niet doorrekend in de impactberekening. Bijgevolg moet als bijzondere lozingsnorm het IC voor kwik van toepassing gesteld te worden.

 

Samenvattend kan in overeenstemming met het advies van VMM akkoord gegaan worden met volgende bijzondere lozingsnormen, voor lozing op riolering:

- Ptot : 20 mg/l

- Anionische detergenten : 1 mg/l

- Kationische detergenten : 1 mg/l

- Niet-ionische detergenten : 6 mg/l

- Som detergenten : 8 mg/l

- Bisfenol A : 1 µg/l

- (4t)-octylfenol : 1 µg/l voor 3 jaar, nadien IC van 0,1 µg/l

- Nonylfenol : 0.3 µg/l - IC

- p-cresol : 200 µg/l

- fenol 75 µg/l

- 4-chloor 3-methylfenol : 45 µg/l

- 4-choor+3,5-dimethylfenol: 2 µg/l

- 4-ethylfenol+3,5-dimethylfenol: 3 µg/l

- EOX 50 µg/l

- Uranium : 1,9 µg/l

- Dichloormethaan : 20 µg/l

- Kwik: rapportagegrens


De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.

 

Mogelijkheid toekomstige lozing op oppervlaktewater

Om de mogelijkheid van lozing van niet-verontreinigd verdund afvalwater op oppervlaktewater te onderzoeken zijn meer gegevens nodig over de potentieel af te koppelen debieten per installatie. Bovendien voldoen enkele afvalstromen (nog) niet aan de basismilieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater.

Indien een overschakeling naar lozing op oppervlaktewater daadwerkelijk als haalbare optie wordt beschouwd, zullen infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn. Aangezien hiervoor nog geen budget is voorzien, kan de uitvoering op zijn vroegst in werkjaar 2026 plaatsvinden.


In overeenstemming met het advies van VMM wordt als bijzondere voorwaarde opgenomen dat volgende maatregelen binnen de 2 jaar uitgevoerd moeten worden:

- De tellerstanden van de bijkomend geplaatste tellers op toestelniveau worden minstens gedurende 1 jaar bijgehouden.

- Aangezien er nog geen resultaten beschikbaar zijn van het afvalwater na de overschakeling op fosforarme alternatieven in mei 2025, is de effectiviteit ervan nog niet voldoende beoordeeld. Gedurende minstens 1 jaar moet dit opgevolgd worden door minstens maandelijkse analyses op Ptot.

- Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen op het park dient het lozingsdebiet binnen 2 jaar opnieuw geëvalueerd te worden. Indien nodig dient het bedrijf een aanpassing van het vergunde lozingsdebiet aan te vragen. Op dat moment zal ook meer duidelijkheid bestaan over welke afvalstromen op oppervlaktewater kunnen worden geloosd, evenals over het effect op het totale lozingsdebiet en de BZV-concentratie.

De resultaten van het onderzoek dienen in een rapport gebundeld te worden en binnen de 2 jaar bezorgd te worden aan VMM-Adviseren Afvalwater (vergunningen.ge@vmm.be).

 

Controle-inrichting

Met voorliggend dossier wenst het bedrijf het bedrijfsafvalwater via 1 lozingspunt te lozen op de riolering. Voor het lozingspunt LP_BAW_DWA wordt een elektromagnetische debietmeter gebruikt voor bepaling van de kwantiteit van het geloosde afvalwater. Voor de bepaling van de kwaliteit is een aftappunt aanwezig op de persleiding na de debietmeter die toelaat om op eenvoudige wijze een staal te nemen. De lozingsdebieten worden continue gelogd.


Volgende bijzondere voorwaarde opgelegd in de vergunning van 25/03/2021 wordt hernomen en aangevuld:

Controle-inrichting: al het bedrijfsafvalwater dient afgevoerd naar een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Voormelde controle-inrichting dient te beantwoorden aan de in Afdeling 4.2.5 van Vlarem II gegeven omschrijving en gestelde eisen en langs voormelde controle-inrichting mag geen normaal huisafvalwater noch koelwater, noch regenwater afgevoerd worden.

In afwijking van art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II mag de controle-inrichting bestaan uit een elektromagnetische debietsmeter met staalnamepunt. De periodieke controle van de debietmeter wordt uitgevoerd conform de “Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van elektromagnetische debietmeting van afvalwater in gesloten systemen”.

 

Meetprogramma

Conform het advies van VMM wordt volgende bijzondere voorwaarde, opgelegd in de vergunning van 25/03/2021, hernomen:

Uit te voeren metingen: in functie van het toegelaten maximumdebiet dienen de metingen uitgevoerd zoals voorgeschreven in Afdeling 4.2.5. van Vlarem II. De niet-vermelde parameters uit bijlage 4.2.5.2 van Vlarem II dienen driemaandelijks bepaald te worden. De meetresultaten dienen ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

 

Rioleringsplan

De lozing van bedrijfsafvalwater en niet-verontreinigd hemelwater is op campusniveau op het rioleringsplan (Plan OMV2024129632 rioleringsplan campus_250523) aangeduid. Het bedrijfsafvalwater is met bruine kleur aangeduid (DWA). Het regenwater met donkergroen (RWA).


Bij nazicht van dit rioleringsplan blijkt het bedrijfsafvalwater BA Bio-Accelerator nog verbonden te zijn met een regenwaterput (in plaats van op DWA). Ook werden hier en daar nog kleine onzorgvuldigheden opgemerkt. Binnen de 3 maanden na datum van dit besluit dient het bedrijf het rioleringsplan “Plan OMV2024129632 rioleringsplan campus_250523” aan te passen zodanig dat alles correct weergegeven wordt. Dit aangepast plan dient bezorgt te worden aan VMM-Adviseren Afvalwater via vergunningen.ge@vmm.be en Dienst Toezicht van Stad Gent via toezicht@stad.gent.

Dit wordt mee opgenomen in de bijzondere voorwaarden.

 

 

CONCLUSIE

De gevraagde omgevingsvergunning is mits voorwaarden milieuhygiënisch, stedenbouwkundig en planologisch verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, bijgevolg is het verslag voorwaardelijk gunstig.

 

Volgende rubriek wordt gunstig beoordeeld:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | -50 m³/dag en -12.500 m³/jaar: een vermindering van het jaarlijks lozingsdebiet door afkoppeling van hemel- en grondwater en een realistischer aanname van uur/dag/jaardebiet op basis van pompeigenschappen. | Verandering

-22 m³/uur

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20190620-0038) is:


Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | 350 m³/dag, 87.500 m³/jaar. Lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) via  één lozingspunt. | klasse 2

18 m³/uur

 

 

Waarom wordt deze beslissing genomen?

 

 

WAAROM WORDT DEZE BESLISSING GENOMEN?

 

Het college van burgemeester en schepenen moet over de ingediende omgevingsvergunningsaanvraag een beslissing nemen.

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij bovenstaand verslag van de gemeentelijk omgevingsambtenaar en neemt het tot haar eigen motivatie.

 

 

Communicatie

 

 

Uitvoering
Van deze omgevingsvergunning mag worden gebruikgemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de eerste dag van de aanplakking, op de hoogte is gebracht van de instelling van een schorsend administratief beroep.

Bekendmaking
De beslissing wordt bekendgemaakt conform Titel 3, Hoofdstuk 9, Afdeling 3 van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Verval van de omgevingsvergunning – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 99.
§ 1. De omgevingsvergunning vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
2° als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan drie opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
3° als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning;
4° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting niet binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.

De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.

De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.

Als de omgevingsvergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het bouwproject, worden de termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in het eerste lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval bijgevolg gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.

§ 2. De omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit vervalt van rechtswege in elk van de volgende gevallen:
1° als de exploitatie van de vergunde activiteit of inrichting meer dan vijf opeenvolgende jaren wordt onderbroken;
2° als de ingedeelde inrichting vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie;
3° als de exploitatie op vrijwillige basis volledig en definitief wordt stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en de regels, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de inkennisstelling van de stopzetting.
§ 3. Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1, betrekking hebben op een gedeelte van het bouwproject, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een bouwproject. Een gedeelte is eerst afgewerkt als het, in voorkomend geval na de sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
Als de gevallen, vermeld in paragraaf 1 of 2, alleen betrekking hebben op een gedeelte van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, vervalt de omgevingsvergunning alleen voor dat gedeelte.

Artikel 100.
De omgevingsvergunning blijft onverkort geldig als de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 naar klasse 2 overgaat of omgekeerd.
In geval de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van een project door een wijziging van de indelingslijst van klasse 1 of 2 naar klasse 3 overgaat, geldt de vergunning als aktename en blijven de bijzondere voorwaarden gelden.

Artikel 101.
De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1 worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig hoofdstuk 9 behoudens indien de vergunde handelingen in strijd zijn met een vóór de definitieve uitspraak van de Raad van kracht geworden ruimtelijk uitvoeringsplan. In dat laatste geval blijft het eventuele recht op planschadevergoeding desalniettemin behouden.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de archeologische opgraving, omschreven in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, met een maximumtermijn van een jaar vanaf de aanvangsdatum van de archeologische opgraving.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst tijdens het uitvoeren van de bodemsaneringswerken van een bodemsaneringsproject waarvoor de OVAM overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een conformiteitsattest heeft afgeleverd, met een maximumtermijn van drie jaar vanaf de aanvangsdatum van de bodemsaneringswerken.

De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1, worden geschorst zolang een bekrachtigd stakingsbevel, zoals vermeld in titel VI van de VCRO, niet wordt ingetrokken, hetzij niet wordt opgeheven bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer geen opheffing van het stakingsbevel wordt gevorderd of geen intrekking wordt gedaan binnen een termijn van twee jaar vanaf de bekrachtiging van het stakingsbevel.

Beroepsmogelijkheden – uittreksel uit het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Artikel 52. De Vlaamse Regering is bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.

De deputatie is voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.

Artikel 53. Het beroep kan worden ingesteld door:
1° de vergunningsaanvrager, de vergunninghouder of de exploitant;
2° het betrokken publiek;
3° de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde als de adviesinstantie tijdig advies heeft verstrekt of als aan hem ten onrechte niet om advies werd verzocht;
4° het college van burgemeester en schepenen als het tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd verzocht;
5° de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde;
6° de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

Artikel 54. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid ingesteld binnen een termijn van dertig dagen die ingaat:
1° de dag na de datum van de betekening van de bestreden beslissing voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt;
2° de dag na het verstrijken van de beslissingstermijn als de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg stilzwijgend geweigerd wordt;
3° de dag na de eerste dag van de aanplakking van de bestreden beslissing in de overige gevallen.

Artikel 55. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de betekening van de beslissing in laatste administratieve aanleg.

In afwijking van het eerste lid werkt het beroep niet schorsend ten aanzien van:
1° de vergunning voor de verdere exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor ten minste twaalf maanden voor de einddatum van de omgevingsvergunning een vergunningsaanvraag is ingediend;
2° de vergunning voor de exploitatie na een proefperiode als vermeld in artikel 69;
3° de vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit die vergunningsplichtig is geworden door aanvulling of wijziging van de indelingslijst.

Artikel 56. Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel 52.

Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan:
1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt;
2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen;
3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt.

De Vlaamse Regering bepaalt de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld.

Artikel 57. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de door haar gemachtigde ambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid.

Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de door haar gemachtigde ambtenaar de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen.

Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd.

Beroepsmogelijkheden – regeling van het besluit van de Vlaamse Regering decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de naam, de hoedanigheid en het adres van de beroepsindiener;
2° de identificatie van de bestreden beslissing en van het onroerend goed, de inrichting of exploitatie die het voorwerp uitmaakt van die beslissing;
3° als het beroep wordt ingesteld door een lid van het betrokken publiek:
a) een omschrijving van de gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing ondervindt of waarschijnlijk ondervindt;
b) het belang dat hij heeft bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden;
4° de redenen waarom het beroep wordt ingesteld.

Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken:
1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks;
2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht;
3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°.

Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014.

Het beroepsdossier wordt ingediend met een analoge of een digitale zending.

Het bevoegde bestuur kan bij de beroepsindiener, de vergunningsaanvrager of de overheid die in eerste administratieve aanleg bevoegd is, alle beschikbare informatie en documenten opvragen die nuttig zijn voor het dossier.

De beroepsindiener geeft, op straffe van verval, uitdrukkelijk in zijn beroepschrift aan of hij gehoord wil worden.

Als de vergunningsaanvrager gehoord wil worden, brengt hij het bevoegde bestuur daarvan uitdrukkelijk op de hoogte met een beveiligde zending uiterlijk vijftien dagen nadat hij een afschrift van het beroepschrift als vermeld in artikel 56 van het decreet van 25 april 2014, heeft ontvangen, op voorwaarde dat hij niet de beroepsindiener is.

Mededeling
Deze gegevens kunnen worden opgeslagen in een of meer bestanden. Die bestanden kunnen zich bevinden bij de gemeente, waar u de aanvraag hebt ingediend, bij de provincie, en ook bij de Vlaamse administratie, bevoegd voor de omgevingsvergunning. Ze worden gebruikt voor de behandeling van uw dossier. Ze kunnen ook gebruikt worden voor het opmaken van statistieken en voor wetenschappelijke doeleinden. U hebt het recht om uw gegevens in deze bestanden in te kijken en zo nodig de verbetering ervan aan te vragen.

 

 

 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen verleent onder voorwaarden de omgevingsvergunning voor het hernieuwen en veranderen van de gemeenschappelijke lozing van bedrijfsafvalwater door het consortium van bedrijven en instellingen te campus Ardoyen aan Ardoyen vzw (O.N.:0875102821) gelegen te Technologiepark-Zwijnaarde 6-131, 9052 Gent.


De rubriek voor de inrichting/activiteit Ardoyen - Consortium van bedrijven en instellingen met inrichtingsnummer 20190620-0038 beslist het college als volgt:

 

Vergunde rubriek:

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | -50 m³/dag en -12.500 m³/jaar: een vermindering van het jaarlijks lozingsdebiet door afkoppeling van hemel- en grondwater en een realistischer aanname van uur/dag/jaardebiet op basis van pompeigenschappen. | Verandering

-22 m³/uur

 

De geactualiseerde vergunningstoestand van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit (inrichtingsnummer 20190620-0038) is:

 

Rubriek

Omschrijving

Hoeveelheid

3.4.2°

lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) | 350 m³/dag, 87.500 m³/jaar. Lozen, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, van bedrijfsafvalwater dat al dan niet één of meer gevaarlijke stoffen (lijst 2C, VLAREM I) bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium (meer dan 2 m³/u tot en met 100 m³/u) via  één lozingspunt. | klasse 2

18 m³/uur

 

 

Artikel 2

Legt volgende voorwaarden op:

Bijzondere voorwaarde voor de ingedeelde inrichting of activiteit:

1. De Vlaamse Waterweg staat in voor het beheer van calamiteiten zoals vervuilingsincidenten op hun infrastructuur (bv. bij olielekken of accidentele lozingen buiten de norm). De aanvrager dient dus ieder incident waarbij mogelijks oppervlaktewaterverontreiniging ontstaat binnen de 24 uur te melden aan RIS (0800/40 330 of ris@vlaamsewaterweg.be).

 

2. Van zodra een privébedrijf/terrein in beheer van de UGent komt, moet het niet-verontreinigd hemelwater ervan gescheiden worden van het afvalwater en zo gescheiden aangesloten worden op het interne rioleringswerk.

 

3. Om de verdunning van het afvalwater nauwgezet te blijven opvolgen, dienen de maandelijkse BZV-analyses voortgezet te worden. De resultaten moeten beschikbaar worden gehouden voor de lokale toezichthouder.

 

4. De geloosde detergenten moeten voldoen aan de Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees parlement en de Raad betreffende detergenten. Het bedrijf maakt de overeenstemmende MSDS fiches over aan de VMM (vergunningen.ge@vmm.be). Voor de producten zonder verwijzing naar de verordening dient het bedrijf ofwel een nieuwe, recente SDS fiches aan te vragen ofwel het gebruik van het product stop te zetten. Een update hiervan dient binnen de 6 maanden bezorgd te worden aan VMM.

 

5. Gedurende de 3 jaar dat de lozingsnorm voor octylfenol nog boven het indelingscriterium ligt, moet onderzoek uitgevoerd worden om de geloosde concentraties te beperken.

 

6. Volgende bijzondere lozingsnormen voor lozen op riolering gelden:

- Ptot : 20 mg/l

- Anionische detergenten : 1 mg/l

- Kationische detergenten : 1 mg/l

- Niet-ionische detergenten : 6 mg/l

- Som detergenten : 8 mg/l

- Bisfenol A : 1 µg/l

- (4t)-octylfenol : 1 µg/l voor 3 jaar, nadien IC van 0,1 µg/l

- Nonylfenol : 0.3 µg/l - IC

- p-cresol : 200 µg/l

- fenol 75 µg/l

- 4-chloor 3-methylfenol : 45 µg/l

- 4-choor+3,5-dimethylfenol: 2 µg/l

- 4-ethylfenol+3,5-dimethylfenol: 3 µg/l

- EOX 50 µg/l

- Uranium : 1,9 µg/l

- Dichloormethaan : 20 µg/l

- Kwik: rapportagegrens


De concentraties in het effluent van de niet-nominatief in de vergunning genoemde parameters welke bedoeld zijn in lijst 2C van VLAREM II, zijn beperkt tot concentraties opgenomen in de indelingscriteria, vermeld in de kolom “indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)” van art. 3 van bijlage 2.3.1 van VLAREM II. Bij ontstentenis van een indelingscriterium zijn de concentraties beperkt tot de rapportagegrens of tot de bepalingsgrens.

 

7. Binnen de 2 jaar na datum van het besluit moeten volgende maatregelen uitgevoerd worden:

- De tellerstanden van de bijkomend geplaatste tellers op toestelniveau worden minstens gedurende 1 jaar bijgehouden.

- Aangezien er nog geen resultaten beschikbaar zijn van het afvalwater na de overschakeling op fosforarme alternatieven in mei 2025, is de effectiviteit ervan nog niet voldoende beoordeeld. Gedurende minstens 1 jaar moet dit opgevolgd worden door minstens maandelijkse analyses op Ptot.

- Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen op het park dient het lozingsdebiet binnen 2 jaar opnieuw geëvalueerd te worden. Indien nodig dient het bedrijf een aanpassing van het vergunde lozingsdebiet aan te vragen. Op dat moment zal ook meer duidelijkheid bestaan over welke afvalstromen op oppervlaktewater kunnen worden geloosd, evenals over het effect op het totale lozingsdebiet en de BZV-concentratie.

De resultaten van het onderzoek dienen in een rapport gebundeld te worden en binnen de 2 jaar bezorgd te worden aan VMM-Adviseren Afvalwater (vergunningen.ge@vmm.be).

 

8. Controle-inrichting: al het bedrijfsafvalwater dient afgevoerd naar een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde afvalwater te controleren en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Voormelde controle-inrichting dient te beantwoorden aan de in Afdeling 4.2.5 van Vlarem II gegeven omschrijving en gestelde eisen en langs voormelde controle-inrichting mag geen normaal huisafvalwater noch koelwater, noch regenwater afgevoerd worden.

In afwijking van art. 4.2.5.1.1. van Vlarem II mag de controle-inrichting bestaan uit een elektromagnetische debietsmeter met staalnamepunt. De periodieke controle van de debietmeter wordt uitgevoerd conform de “Code van goede praktijk voor installatie, onderhoud en controle van elektromagnetische debietmeting van afvalwater in gesloten systemen”.

 

9. Uit te voeren metingen: in functie van het toegelaten maximumdebiet dienen de metingen uitgevoerd zoals voorgeschreven in Afdeling 4.2.5. van Vlarem II. De niet-vermelde parameters uit bijlage 4.2.5.2 van Vlarem II dienen driemaandelijks bepaald te worden. De meetresultaten dienen ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar.

 

10. Binnen de 3 maanden na datum van dit besluit dient het bedrijf het rioleringsplan “Plan OMV2024129632 rioleringsplan campus_250523” aan te passen zodanig dat alles correct weergegeven wordt. Dit aangepast plan dient bezorgt te worden aan VMM-Adviseren Afvalwater via vergunningen.ge@vmm.be en Dienst Toezicht van Stad Gent via toezicht@stad.gent.

 

 

Volgende sectorale voorwaarden wordt bijgesteld:

Artikel: 4.2.5.1.1.: De bijstelling is in bijzondere milieuvoorwaarde 8 opgenomen.

Bijlage 2.3.1: De bijstelling is zonder voorwerp. De lozingsnormen worden als bijzondere milieuvoorwaarde opgenomen.

 

De algemene en sectorale milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM:

De integrale en geconsolideerde tekst van titel II van het VLAREM is raadpleegbaar op de Milieunavigator, via de link:  https://navigator.emis.vito.be/

Bij wijziging van VLAREM wordt de exploitant geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven.

 

Artikel 3

Er worden geen aandachtspunten meegegeven.